Aan de luie portiers kun je zien hoe een schoolbestuur werkt

Ook aan universiteiten worden te hoge cijfers gegeven, om geen subsidie mis te lopen. Besturen kunnen niet verwachten dat docenten zich beter gedragen dan zij, vindt Leo Prick.

Als je ziet hoe de stoep van het Witte Huis is geveegd, weet je wat voor president er zit. Deze uitspraak, ik weet niet meer van wie, vond ik aanvankelijk absurd en onzinnig, maar inmiddels heeft de ervaring mij geleerd dat het inderdaad zo werkt. Bij mijn vele bezoeken aan Regionale Opleidingencentra (ROC’s) en hogescholen hoefde ik niet verder te komen dan de portiersloge om te weten hoe de directie functioneerde. Als de heren – de portiers waren meestal mannen – na enige tijd hun gesprek verstoord afbraken en elkaar aankeken met de vraag wie de heidense taak op zich wilde nemen om die vreemde bezoeker te woord te staan, wist ik dat er boven in de organisatie sprake was van een vergelijkbaar arbeidsethos.

Naar aanleiding van de berichten dat er op hogescholen links en rechts met de beoordeling van studenten wordt gesjoemeld, hebben studenten van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzocht of er ook in het wetenschappelijk onderwijs sprake is van sjoemelarij. Hun conclusie was dat ook aan universiteiten op grote schaal de hand wordt gelicht met de eisen. Ter verklaring leggen de onderzoekers een verband met de wijze van financiering. Instellingen worden afgerekend op het aantal diploma’s dat ze uitreiken. Dit is inderdaad een perverse regeling. Een docent aan de Universiteit Utrecht vertelde dat zijn baas hem had verplicht een scriptie te beoordelen met een zeven, hoewel hij haar niet meer waard vond dan een vier.

Dit deel van de financiering is inmiddels teruggebracht van 50 naar zo’n 20 procent. Hiermee wordt het niet minder erg. Afschaffen dus. De druk op docenten van studenten die door een laag cijfer ook financieel worden gedupeerd, is al erg genoeg.

Behalve deze druk speelt ook het stoepje van de president een rol.

Het is niet eenvoudig voor een docent om redelijke eisen stellen en hiermee niet te marchanderen. Om praktische redenen is het dus aantrekkelijk om te sjoemelen. Er moet voor een docent een zwaarwegende reden zijn om het niet te doen, om gewetensvol te werk te gaan bij de beoordeling van studenten. Deze reden is de beroepsethiek, die inhoudt dat je als docent verantwoordelijkheid draagt tegenover zowel de studenten als tegenover de maatschappij – de studenten omdat zij een diploma moeten krijgen waaraan de maatschappij waarde hecht en de maatschappij omdat zij moet weten wat iemand met een bepaald diploma vakinhoudelijk waard is.

De afgelopen jaren hebben bestuurders in het onderwijs massaal maatschappelijk onverantwoord gehandeld. Ze hebben managers onder druk gezet om de slagingspercentages op te voeren. Ze hielden zich meer bezig met de bouw van prestigieuze onderkomens dan met de kwaliteit van het onderwijs. Er werd gefuseerd totdat iedereen zich een vreemde voelde in eigen huis. Gouden regelingen werden bedacht om lastige collega’s te lozen of om hiervan zelf te profiteren.

Hugo Logtenberg heeft in Het Parool in twee uitvoerige artikelen beschreven hoe bestuurders, gedreven door onkunde, zelfoverschatting en hebzucht, het onderwijsconglomeraat Amarantis – met dertigduizend leerlingen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs – in de vernieling hebben geholpen. Wat opvalt is de ongegeneerde graaimentaliteit. Één voorbeeld geldt bestuursvoorzitter Leo Lenssen van een van de fuserende ROC’s. „In 2006 verruilt Lenssen zijn functie voor een adviseurschap bij Amarantis, met behoud van zijn jaarsalaris van 140.000 euro. Tot ergernis van de toezichthouders declareert Lenssen daarnaast maandelijks torenhoge telefoonrekeningen en andere onkosten, maar weigert hij zijn neveninkomsten te melden.”

Hoe kunnen bestuurders, na alle berichtgeving over de normloosheid in hun kringen, verwachten dat docenten zich maatschappelijk verantwoord gedragen? Wat is bijvoorbeeld het morele gezag van de bestuurders van de Technische Universiteit Delft? Ook daar wordt ongetwijfeld het stoepje allang niet meer geveegd.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.