Zwelgen

De opperdirecteur van de woningcorporatie Vestia deed zijn werk niet goed, moest vertrekken, kreeg 3,5 miljoen euro mee en zal zich volgens de laatste berichten of geruchten of iets wat tussen deze twee vormen van nieuws het midden houdt, op Bonaire vestigen. Ik wilde er meer van weten, raadpleegde internet, dat na een paar onverwachte capriolen me op de juiste plaats bracht, en na nog een klik kwam ik terecht in een soort volksgericht waar honderden twitteraars hun digitale bloeddorst de vrije loop lieten. Het eigentijdse leven, samengebald in één gebeurtenis. Iemand wordt door een bonus in één klap rijk en geleid door je nieuwsgierigheid kom je via een niet al te goed werkende digitale verbinding terecht in een schuimbekkende virtuele massa.

Eerst die nouveau Richard. Wat moet je in ’s hemelsnaam met al dat geld op Bonaire doen? Ik heb exorbitant rijke mensen altijd een beetje beklagenswaardig gevonden. Ze wonen in een groot huis met tien kamers op z’n minst, terwijl je aan vier kamers ruim voldoende hebt: één om in te eten, één om bij elkaar te zitten, te praten, tv te kijken, één om in te slapen en één om in te werken. En dan nog een keuken en een douche. Meer heeft een sterveling niet nodig om gelukkig te zijn, is mijn ervaring.

Ik heb extra geluk gehad. Ik heb geen auto, dus geen last van ingeslagen raampjes en een gestolen radio, ik hoef niet naar een parkeerplaats te zoeken, kan niet door rood licht rijden. Ik heb geen last van gestegen brandstofprijzen. Ik woon op een paar steenworpen afstand van drie tramhaltes voor vijf tramlijnen. Wat een zegen. Op Bonaire heb je geen trams of treinen. Wat een armoe.

Wie in een groot huis woont, heeft personeel dat moet doen wat de baas wil. Er is een niet geringe kans dat die ondergeschikten daar niet altijd zin in hebben, maar er is geen keus. Weer aan de slag, met een opgewekt gezicht. Maar wat zou ik onder zulke omstandigheden de pest aan mijn werkgever krijgen. Er is een joods gezegde: Mag u veel personeel krijgen. Dat wens je op Nieuwjaar of een verjaardag je vijand toe. Wat moet de baas dus doen? Dag en nacht opletten dat hij niet door zijn personeel bedrogen en bestolen wordt. Misschien is het een koekje van eigen deeg, maar dat heeft hij dan gewild.

Goed, je zit daar dan op Bonaire in je kasteeltje met die cohorten misschien potentiële bedriegers om je heen en die miljoenen op de bank. Wat moet je met al dat geld? Beleggen! Zorgen dat je kapitaal groter wordt. Want dat is de hebbelijkheid van rijke mensen. Ze lijden aan Der Antrieb des nicht Genug-kriegen-könnens, zoals het in de fenomenologie wordt genoemd. Wij hebben er één woord voor: zwelgen. Ooit heb ik een geïllustreerd sprookjesboek gehad met daarin een verhaal over een gierigaard. Op een plaatje zie je hem zitten voor zijn geldkist. Hij is erin aan het graaien, gooit met handenvol de goudstukken op zijn hoofd. Onderschrift: Mijn geldje. O, mijn lieve geldje! Dat was mijn kennismaking met de zwelger.

Wie heel veel geld heeft, wil nog meer geld hebben. Hij gaat beleggen, speculeren, wordt nog hebzuchtiger, ontwikkelt gaandeweg een blinde vlek voor de risico’s. Hij is niet de enige. Zwelgen is aanstekelijk. De zwelgers vormen een informele club waarin ze allemaal het rijkst willen zijn. En dan opeens is het zover: de koersen tuimelen, een historische Krach. Crisis! We kennen de foto’s uit de jaren dertig, van de ex-miljonairs die in Wall Street van het dak springen. Alleen de slimsten hebben een deel van hun vermogen in baar geld in een brandkastje verstopt. Waar zijn ze? Een woedende menigte werklozen dringt hun huis binnen. Alle twintig kamers zijn verlaten. Meneer is met zijn familie naar een tropisch eilandje geëmigreerd.

Mij is het een raadsel hoe mislukte CEO’s (Commanding Executive Officers, potstausend!) in een tijd van crisis met een stalen gezicht een paar miljoen kunnen incasseren. In het spraakgebruik worden ze graaiers genoemd, of zakkenvullers. Dat is mij te moralistisch. Ik blijf bij die fenomenologische definitie die ik hierboven heb gegeven en dat mooie Nederlandse woord: zwelgers. Omdat het een universele geladenheid heeft. Het blijft niet beperkt tot de mensen die in geld zwelgen. Ik denk dat we sinds het einde van de Koude Oorlog langzamerhand met onze hele cultuur in het tijdperk van het zwelgen terecht zijn gekomen.

Een topsporter heeft gescoord. Hij trekt zijn muil open en zwelgt in zijn oppertriomf. De supporters gaan tekeer alsof ze het eeuwig heil hebben ontvangen. Ze delen in de onaantastbaarheid van hun sportgod. Op een televisiespotje neemt een mooi meisje het eerste hapje van haar romige toetje. Ze kijkt in hemelse verrukking, ze is aan het geniettùh. Je loopt op straat, daar nadert een dof bom-bom-bom. Het komt uit het open raampje van een SUV met achter het stuur een jongmens dat ook aan het geniettùh is. Geniettùh is de gedemocratiseerde manier van geld zwelgen. Iedereen heeft er recht op.