Stilletjes verdwijnen de bodemvondsten

Archeologie

Niet opgraven: dat is het adagium van de moderne archeologie. Maar ook in de bodem zijn de Nederlandse vindplaatsen niet altijd veilig.

Hoe kunnen archeologische vindplaatsen het beste behouden blijven? Hoe lang duurt het voordat archeologische vondsten in de bodem vanzelf vergaan?

Het zijn vragen waarop staatssecretaris Zijlstra van Cultuur (VVD) graag een antwoord wil hebben, getuige een brief die hij op 7 februari aan de Tweede Kamer stuurde. Hij wil dat bij alle toekomstige archeologische rijksmonumenten degradatieprocessen in de gaten gehouden worden.

Behoud en niet opgraven is het adagium van de moderne archeologie. Zo blijft het archeologische geheugen voor latere generaties behouden, is de filosofie; generaties die waarschijnlijk beschikken over betere onderzoeksmethoden die het bodemarchief intact laten. Want opgraven is in feite vernietigen.

De vraag is echter of niet opgraven ook altijd echt behoud betekent. Op dit punt bestaat eigenlijk nog weinig kennis, zegt Zijlstra in zijn brief. Dezelfde conclusie is terug te vinden in vorig jaar verschenen onderzoeksrapporten van zowel onderzoekers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als het Instituut voor Geo- en Bioarcheologie van de VU in Amsterdam.

Een archeologische vindplaats is een “metastabiel fysisch-chemisch evenwicht”, zegt Henk Kars, hoogleraar geo- en bioarcheologie. “Er hoeft maar weinig te gebeuren of het evenwicht raakt verstoord en een proces van degradatie zet in. In het algemeen kun je stellen dat als je op of bij een archeologische vindplaats begint te bouwen hij bloot komt te staan aan chemische, fysische of biologische bedreigingen.”

En dat zijn er veel. Het verlagen van het grondwaterpeil kan ertoe leiden dat zuurstof organische resten vernietigt. Bacteriën vreten botten aan, schimmels laten hout rotten. Een damwand die voor een bouwput geslagen wordt, kan dwars door een houten kano gaan. Het gewicht van een zware bouwkeet kan door zuurstofgebrek in de onderliggende bodem leiden tot een homogene grijsblauwe kleur, waardoor grondsporen van huisplattegronden of greppels gewist worden. Een aan te leggen spoorlijn kan onderliggende grondlagen zo in elkaar duwen dat aardewerk in een bovenliggende laag en dus buiten zijn context terechtkomt. En wordt bij wijze van bescherming over een vindplaats een park aangelegd, dan kunnen konijnen, mollen en wormen door grondsporen graven.

Kars: “Ik durf te stellen dat we inmiddels wel per vindplaats goede voorspellingen voor degradatie van de verschillende vondstcategorieën kunnen maken.” Dat maakt het volgens hem mogelijk om per geval een verantwoorde keuze over ter plekke behouden of opgraven te maken.

“Bij die keuze gaat het er niet om dat iets helemaal gaaf blijft, maar draait het om de mate van verlies aan archeologische informatie,” zegt Hans Huisman, onderzoeker degradatie en instandhouding archeologische materialen bij de RCE. Een koperen bijl die corrodeert blijft een bijl. Een heipaal die door een historische muur heengaat hoeft ook geen probleem te zijn, vindt hij.

Merovingische graven

Het vorig jaar door de RCE gepubliceerde onderzoek naar de vindplaats Borgharen bij Maastricht, waar een Romeinse villa uit de tweede en derde eeuw en een zesde-eeuwse Merovingische grafveld liggen, is volgens hem een goed voorbeeld van hoe zo’n keuze tot stand komt. “Maar ook van voortschrijdend inzicht in degradatie”, aldus Huisman.

De vindplaats is ontdekt bij proefsleuvenonderzoek in 1995 en 1999 in verband met de Maaswerken. De indruk was toen dat de Romeinse villa behouden kon blijven, maar dat de botten in de Merovingische graven zo aangetast waren dat ze moesten worden opgegraven. Bij nader onderzoek van enkele graven in 2008 en 2009 bleek echter dat de botten alleen waren aangetast door degradatieprocessen kort na de begravingen. In de tanden van verschillende skeletten was zelfs het DNA nog goed bewaard en op basis daarvan konden familiebanden tussen verschillende doden vastgesteld worden. “Er is nu besloten om zowel de villa als het grafveld niet verder op te graven en te behouden door van de plek een eilandje in de Maas te maken.”

Maar alleen behouden is niet genoeg, zegt Kars. “Je moet vindplaatsen ook in de gaten blijven houden, je moet ze monitoren.” Bij zichtbare vindplaatsen zoals terpen en grafheuvels kan meestal worden volstaan met een geregelde inspectie, maar bij vindplaatsen in de bodem is meer nodig. Dan moeten er bijvoorbeeld peilbuizen met meetapparatuur worden aangelegd en zijn er nulmetingen nodig. Een dergelijke controle gebeurt volgens hem nog veel te weinig. “Wij hebben zelf twee projecten lopen”, vertelt hij. “In Almere houden we sinds twee jaar zes scheepswrakken in de gaten en bij het Groningse Peize monitoren we bij veenterpen de effecten van natuurontwikkeling op het erfgoed.”

Staatssecretaris Zijlstra wil dat de RCE op dit terrein meer fundamenteel onderzoek gaat doen. Bij alle toekomstige archeologische rijksmonumenten – ongeveer tien per jaar – zullen de natuurlijke omstandigheden en eventuele degradatieprocessen in de gaten gehouden worden. Met als doel behoud ‘voor latere generaties’. Hans Huisman: “Er zal altijd sprake zijn van natuurlijke degradatie. We willen vindplaatsen in ieder geval voor de volgende twee generaties behouden.”

“Het is volstrekt irrelevant of je een vindplaats twintig, tweehonderd of tweeduizend jaar wilt behouden,” stelt Kars. “Ik hou mijn studenten voor dat je een vindplaats net zo lang moet kunnen behouden tot je er wetenschappelijk gezien aan toe bent. Of tot je door de omstandigheden alsnog gedwongen wordt om op te graven.”