Op Uggs naar Chefchaouen

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een schoolreisje naar Marokko.

Wie een buitenlandse zwerfhond met drie poten wil adopteren moet eerst door een ballotage, maar volslagen vreemden uit het Rifgebied in Noord-Marokko mogen zomaar mijn dochter mee naar huis nemen. Dat heet ‘uitwisseling’ en het is georganiseerd door school.

Eerst gaat ze een paar dagen naar Tanger en daarna logeert ze bij een Berbergezin – welk gezin, dat weet niemand nog. Op de rand van haar bed probeer ik niet te denken aan gammele Mercedessen en slecht verlichte bergwegen zonder vangrail.

Hoewel het niet ‘mijn’ week is, is ze even bij me – om haar koffer te pakken. Ze neemt mee: een make-uptas, Blackberry, fototoestel, zaklamp, diarreeremmers, laken, kussensloop, twee handdoeken, Uggs, sneakers, vier spijkerbroeken, twee paar slippers, drie vesten, twee colbertjes, zes T-shirts en drie hemdjes.

„Je gaat toch maar zes dagen?”, vraag ik voor de zekerheid. Rollende ogen. „Ik kan toch niet twee keer hetzelfde aantrekken?” Op mijn verzoek, en onder licht protest, stopt ze een warme trui in de koffer, het kan’s nachts koud zijn in de bergen.

Met haar perfect gelakte nagels legt ze op de warme trui tien pakjes papieren zakdoekjes. Is tien pakjes niet een beetje veel? „Niet iedereen daar heeft een wc hè. Het kan zijn dat je boven een gat moet poepen. Misschien hebben ze ook wel geen wc-papier.” En die stijltang? „Sorry mam, dat is echt heel normaal dat ik die meeneem.”

Ik denk aan het reisverhaal van Mohammed Benzakour waarin hij Nador beschrijft, een stadje in het Rifgebied waar hij is geboren. In gedachten zie ik mijn dochter over een markt lopen tussen „wild gesticulerende Berbers” met „tongen die ratelen als ratelslangstaarten” en overal kruipen „invaliden, bedelaars en pokkenslachtoffers”. Ze koopt gympen van Reibok of Abibas en gilt het uit – „ieuw!!!” – als ze „een koeienhoofd vol vliegen” aan een touw ziet bungelen.

Een zakmes verdwijnt in haar koffer. Voor je weet maar nooit, zegt ze. „Wist je trouwens dat we in Tanger dag en nacht worden bewaakt? De koning van Marokko wil niet dat er iets gebeurt met toeristen.”

Het zakmes verdwijnt onder een bikini. „Misschien gaan we wel naar een Marokkaanse bruiloft”, jubelt ze. „Of misschien”, en haar stem verraadt dat er iets nog veel beters komt, „word ik wel uitgehuwelijkt.”

De bikini verdwijnt onder een bloot topje. Over de jongens die in Nador op straat staan te sissen en te fluiten, schrijft Benzakour dat van hun gezichten „het stuiptrekkende liefdesverlangen” spuit. „Tssst, tsssst”, doen ze. „O moeder van me, je borsten doen mijn hersens vervliegen.” Of ze nieuwsgierig is naar de Marokkaanse cultuur, vraag ik haar. Ze zou wel willen weten „of ze daar ook allemaal Nickelson-jassen en Gucci-petjes dragen”.

Een paar dagen later stuurt ze vanuit een bus in het Rifgebergte een sms: „Vet veel ezels hier en geiten en schapen. Echt vies.” Even later sms’t ze dat de wc bij het gastgezin inderdaad een gat in de grond is. Een „vierkante bank” is het logeerbed voor vijf Amsterdamse meisjes. Ze zijn te gast in „een piepklein huis” bij een gezin met vier kinderen en een baby. Haar koffer van 19 kilo moest ze „100 trappen” opslepen. „Maar ze zijn heel gastvrij en het eten is erg lekker.”

In Amsterdam brengt een taxichauffeur me naar huis. „Is uw dochter in Chefchaouen?” Hij lacht me vriendelijk uit. Dat is geen achtergesteld bergdorp, zegt hij, dat is een gemoedelijk en modern stadje. „Net Haarlem.”

Over twee dagen komt ze terug.