Op netwerkborrels vinden ze mijn studie onnuttig hilarisch

Tijdens haar ‘research master’ cultural analysis overwoog Anouk van Kampen nooit wat ze ermee kon worden. Nu heeft ze geen vaste baan. Toch zou ze het niet anders doen.

In de zomervakantie nadat ik mijn eindexamendiploma had gehaald, gaven mijn ouders een feest. Ik denk dat het de eerste keer was dat ik me volwassen voelde. Familie kneep niet liefkozend in mijn wangen, vrienden van mijn ouders bleven niet herhalen dat ik zo’n grote meid was geworden. Ik dronk wijn en voerde gesprekken over mijn toekomst. Tegelijkertijd wist ik zeker dat al die mensen geen enkele notie hadden van de belangrijke dingen in het leven. Als ik vertelde op welke studie mijn keuze was gevallen, herhaalde iedere aanwezige boven de dertig: „maar wat kun je daar dan mee?”

Ik had besloten kunstgeschiedenis te studeren. Ik weet eigenlijk nog steeds niet waarom. Sinds de derde klas wilde ik psycholoog worden, in de vijfde was dat cultureel antropoloog. Tussen de vijfde en zesde veranderde die keuze nog een tiental keren, maar iedere open dag die ik bezocht was een teleurstelling – met als dieptepunt de open dag bij criminologie, waarvan ik al niet wist wat ik er deed, maar waar ik ook ontdekte dat het weinig te maken had met spanning en des te meer met statistiek. Kunstgeschiedenis had ik eerder al afgewezen, puur omdat mijn moeder het wel wat voor me vond. Toen ik toch ging kijken, was deze studie de enige waar ik werkelijk enthousiast van werd. Mijn keuze was gemaakt.

Ik heb nooit overwogen wat ik ermee kon of wilde worden. Of het een goede studie was, aan een goede universiteit, met fijne mensen en in een levendige stad, en of ik het leuk, leerzaam en verrijkend zou vinden, vond ik veel belangrijker. Voor mijn studiegenoten gold grotendeels hetzelfde. Dat kunstgeschiedenis in de toptien van studies zonder baankans voorkwam, vonden we vooral grappig. Van de vraag wat ik wilde worden, was ik verplaatst naar wat ik wilde zijn – de rest zag ik later nog wel.

Kunsthistoricus bleek ik tijdens mijn studie eigenlijk niet te willen zijn, want kunst interesseert me niet bovenmatig. De onderzoeksmaster die erop volgde, kwam dan ook meer in de buurt van iets wat ik leuk vond. Als ik rond die tijd op een vergelijkbaar feest had moeten uitleggen wat ik ermee kon, had ik echter waarschijnlijk nog kanslozer gefaald. Het heette cultural analysis.

Nu, een half jaar na succesvolle afronding van deze studie, heb ik nog geen vast werk gevonden. Op netwerkborrels vinden ze mijn studie vooral hilarisch onnuttig klinken. Misschien had ik geneeskunde moeten studeren, waarmee je tenminste een maatschappelijk nut dient, rechten, waarmee je veel kunt verdienen, of natuurkunde, waarmee de banen voor het oprapen liggen. Niemand had zich dan afgevraagd wat ik ermee kon en niemand had gevonden dat ik overheidsgeld verspilde aan een geesteswetenschappelijke studie waarmee je geen enkel nut lijkt te hebben.

Maar het idee dat deze mensen geen flauw benul hebben van waar het werkelijk om gaat, heb ik zeven jaar later nog steeds. Het nut van een studie is voor mij niet economisch. Heeft het werkelijk zin om me te richten op de percentages aan afgestudeerden die een baan vinden? Tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, kan er een overschot aan natuurkundigen zijn of, zoals nu, een crisis waardoor bijna niemand überhaupt nog aan een baan komt. Dat ik geen baan heb gevonden, wijt ik meer aan een algeheel gebrek aan banen voor afgestudeerden, waardoor steeds meer mensen zijn overgeleverd aan bijstand of stages, dan aan mijn vermeend nutteloze studies.

Een studie is niet pas belangrijk als je er direct werk mee vindt of door het aanwijsbaar maatschappelijke nut ervan. Het nut van een studie bewijst zich door de vraag of je er op den duur gelukkig van wordt. Misschien word je wel gelukkig door je kansen op een baan of door de hoeveelheid geld die je ermee gaat verdienen, maar zeker ook doordat je plezier hebt in wat je doet.

Mijn studies vond ik het grootste deel van de tijd niet leuk. Maar tegen de tijd dat ik klaar was, hadden ze me doen inzien wat ik wel leuk vond. Misschien ben ik naïef, maar ik wil geloven dat een studie plezierig kan zijn, dat een studie je boven alles moet ontwikkelen, je moet leren waar je goed en slecht in bent, wat je belangrijk vindt en niet, en voor welke dingen je bereid bent tot het uiterste te gaan.

Ik geloof dat je werkelijk nuttig bent als je weet waarvoor je moeite wilt doen. Het had niet uitgemaakt dat ik een economisch nuttige studie had gedaan als ik daar nooit had ontdekt dat ik het fascinerend vind waarom iemand zijn leven wijdt aan koffie maken of waarom anderen hun voorhoofd volspuiten met Botox; als ik niet had geweten dat ik een liefde heb voor mooie zinnen en voor werken onder een keiharde deadline. Dat maakt mijn nutteloze studie nuttiger dan welke andere studie dan ook.

Ontdekken wat je wil en aan het eind iemand zijn geworden, is wat een studie nuttig maakt. Wat kun je er dan mee? Worden wie ik wilde zijn, en weten dat het daarom goed komt.

Anouk van Kampen is medewerker van NRC Handelsblad.