Nederlandsch Indië

Ze konden er wat van, die Nederlandse onderzoekers in Nederlandsch-Indië, toen wij onze gordel van smaragd nog bezaten en daarmee het grootste moslimland ter wereld waren, zoals Robbert Dijkgraaf hier laatst schreef. Eijkman en Grijns die vitamine B1 ontdekten, waar Eijkman de Nobelprijs voor kreeg. En de Indonesische Nachwuchs, hoe stond het daarmee? Eijkman en Grijns, dat klinkt niet erg Indonesisch. Hebben wij wel succesvolle Indonesiërs opgeleid? In mijn vakgebied heb ik daar nooit iets van gemerkt.

Met onze koloniale erfenis kreeg ik te maken in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Toen werd ik benaderd door het hoofd van het laboratorium voor biochemie van de Universiteit van Noord-Sumatra in Medan, drs. Sinaga. Of eigenlijk door zijn Chinese baas, die terzijde was geschoven in een golf van anti-Chinees sentiment. Dat gaf problemen, want vervangende Indonesiërs waren er niet. Sinaga was wel arts, maar niet gepromoveerd en dan kon je geen professor worden, zelfs niet in Medan. Dus was de vraag of Sinaga niet een tijd in ons biochemisch lab kon komen werken om de missende doctorstitel te behalen.

Dat verzoek viel goed. De universiteit had net een democratiseringsgolf achter de rug. Mensen helpen in ontwikkelingslanden, dat zagen de student-activisten wel zitten. Natuurlijk was Indonesië een fout land, maar dat kon je die arme universitaire medewerkers in Medan toch niet aanrekenen.

Zo arriveerde een kleumende Sinaga in winters Amsterdam om biochemisch onderzoek te doen. Een moedige onderneming, want vrouw en kinderen had hij achtergelaten in Medan en zo jong was hij ook niet meer. Al gauw bleek dat Sinaga niet veel wist van biochemie. Geen nood, dat konden wij hem bijbrengen. Erger was dat zijn biochemisch lab in Medan geen enkele infrastructuur bezat voor biochemisch onderzoek. Geen apparatuur, geen chemicaliën en geen geld om iets te kopen. Er was in Medan ook geen benul van het nut van onderzoek. Dat deden mensen, omdat het nodig was voor hun carrière, voor een doctorstitel, om professor te worden. Niet om iets op te lossen of uit te vinden.

Wat te doen met mijn Indonesische gastmedewerker? Aan geavanceerde biochemie had hij niets en dus moest Sinaga maar moderne klinische chemie leren. Standaardbepalingen in bloed en urine en zo. Dat was ook rudimentair in Medan en die standaardbepalingen zijn nodig om goede geneeskunde te bedrijven. Gelukkig was een bevriende klinisch chemicus bereid om Sinaga de knepen van het vak te leren. Er moest ook nog een onderzoeksprogramma worden gevonden dat tot de noodzakelijke doctorstitel kon leiden. Ook daar vonden we iets op.

In Indonesië kwam in de zeventiger jaren veel vitamine-A-deficiëntie voor bij kleine kinderen. Zolang ze aan de borst lagen, kregen ze net genoeg A binnen, maar na de moedermelk werd het pap, die nauwelijks vitaminen bevatte. Dit leidde soms tot zulke extreme vitamine-A-deficiëntie dat kinderen blind werden. Omgeven door tropische vruchten en planten, bulkend van vitamine A, werden ze blind door chronisch A-tekort. Een ontnuchterende les voor wie nog gelooft in de wijsheid van traditionele voedingsgewoonten.

Zo gingen wij vanuit Nederland de vitamine-A-status van kinderen in Noord-Sumatra onderzoeken en het effect van vitamine-A-suppletie. Nooit heeft een biochemisch project van mij zoveel voeten in de aarde gehad als dit simpele project in Medan. Voor apparatuur wisten wij geld los te krijgen van de World Health Organization, maar dat was niet voldoende. Behulpzame mensen hebben daarom de kelders van de Amsterdamse medische instituten uitgekamd op zoek naar verouderde apparatuur die nog werkte. Die werd op transport gezet naar Medan. Ik wist oud-promovendi te charteren om de infrastructuur in Medan op te zetten, Martijn Katan (die altijd aan voeding verslingerd is gebleven) en Erik Smit voor de klinische chemie. Wijlen professor Jane Kusin van het Koninklijk Instituut voor de Tropen zorgde voor de benodigde epidemiologische kennis.

Na een onvoorstelbare inspanning van alle betrokkenen kreeg Sinaga uiteindelijk de begeerde doctorstitel in Amsterdam, 11 jaar na onze eerste contacten. Pas toen bleek dat hij in Noord-Sumatra een belangrijk man was, namelijk hoofd van een grote Batak-clan van zo’n 100.000 mensen. Er kwam een vliegtuig vol hoogwaardigheidsbekleders over uit Indonesië voor de promotieplechtigheid.

Medan is natuurlijk een buitengewest in Indonesië, maar ook elders in Indonesië, zoals in Jakarta, heb ik nooit substantieel onderzoek in de medische biologie gezien in de vorige eeuw. Tijdens een symposium in 1990 ter ere van het 100-jarig bestaan van het Eijkman Instituut waren er interessante voordrachten uit omringende Aziatische landen, maar niets noemenswaardigs uit Indonesië zelf.

Rancune kwamen wij niet tegen in Indonesië. Oudere Indonesiërs demonstreerden graag hun resterende kennis van Nederlands. Zelfs een taxichauffeur kende nog een paar woorden. Toen hij ons Nederlands hoorde praten, raakte hij in steeds grotere opwinding en riep: ‘Wilhelmina! Juliana! Beatrix!’ Ons koninklijk huis is stevig geworteld in de dessa, maar de Nederlandse wetenschap heeft weinig sporen nagelaten. Een Indonesische Eijkman hebben wij niet opgeleid.