Ik zeg: nooit meer in die landelijke politiek

Andrée van Es (Den Haag, 1953) is locoburgemeester en wethouder voor GroenLinks in Amsterdam. Pas de laatste jaren, zegt ze, zijn haar persoon en imago meer gaan samen vallen. „Ik weet dat grote liefde bestaat. Ik doe het niet voor minder.”

Andrée van Es

„Toen ik nog voor de PSP in de Tweede Kamer zat, in de jaren tachtig, had ik geen privéleven. Iedere keer als ik mijn huis uitstapte was ik Andrée van Es. Of beter: het beeld dat mensen van haar hadden. Ik kan mij herinneren dat ik letterlijk mijn rug rechtte. Ik voelde mij bekeken en beoordeeld. Voor iemand die zich vaak kwetsbaar en onzeker voelt, is dat niet altijd makkelijk.

„Pas de laatste jaren zijn mijn persoon en imago wat dichter naar elkaar toe gegroeid. Ik kan in de tram of op de fiets stappen zonder dat iemand zich met mij bemoeit. Dat geeft rust. En het verklaart waarom ik zeg: nooit meer in die landelijke politiek. Ieder aanbod in die richting druk ik de kop in. Hetzelfde geldt voor het fractievoorzitterschap van GroenLinks in Amsterdam: die beker laat ik aan mij voorbij gaan. Niet alleen vanwege de onrust, maar ook omdat ik daar te oud voor ben. Ik zou het een zwaktebod vinden als ze een bijna-zestiger naar voren schuiven.”

Vogelwijk

„Ik ben opgegroeid in de Haagse Vogelwijk: een prachtige, well to do-wijk aan de duinen. Mijn ouders waren liberaal in de meest brede zin van het woord: ze hielden van vrijheid en stemden op de VVD. Regelmatig doken zij met hun kunstenaarsvrienden het café in, mijn moeder in avondjurk. Levensgenieters waren het.

„Mijn vader is inmiddels overleden. Omdat zijn wieg in Indonesië stond, heb ik veel van het Haagse Indische wereldje mee gekregen. Veel kinderen hadden Indische wortels in die stad. Daar stond ik niet bij stil, pas later besefte ik dat dat bijzonder was. Dat ik, de politieke voorkeur van mijn ouders ten spijt, ter linkerzijde van het politieke spectrum uitkwam, is niet verrassend. Ik groeide op in de jaren zestig, vrijwel alles stond ter discussie: de Vietnam-oorlog, de verschillen tussen arm en rijk, de levensloop van vrouwen...Er is weinig waar in die tijd niet tegen geprotesteerd werd.”

Koningshuis

„Als PSP’er heb ik mij wel eens kritisch over het koningshuis uitgelaten. Ik vond het onzin dat de koningin de Troonrede voorlas, die taak was toch aan de minister-president voorbehouden? En waarom zou ‘een snotneus’ als Willem-Alexander recht hebben op 900.000 gulden? Die term heb ik tijdens een debat over de begroting van het Koninklijk Huis gebruikt.

„Rationeel gezien past een monarchie niet bij onze moderne samenleving – in die zin is mijn standpunt niet gewijzigd. Maar de irrationaliteit van het instituut ben ik steeds meer gaan waarderen. Sterker nog: het ontroert mij. Dat komt deels door de mensen die het koningshuis vertegenwoordigen. Zij doen dat gewetensvol en vol overgave. Ook Máxima ja, die ik wegwijs maakte in de Nederlandse maatschappij.”

Lodewijk Asscher

„Ik werk nu twee jaar met Lodewijk samen. Een getalenteerd politicus, ik voel mij zeer met hem verwant. Hij is gewetensvol, weet wat hij wil. Kan ook goed leidinggeven. Maar of hij leider van de PvdA moet worden, betwijfel ik ten zeerste. Voor de linkse politiek zou het een zegen zijn, maar voor Lodewijk als persoon? Nee. Hij heeft drie jonge kinderen, is een buitengewoon toegewijde vader. Voor hem is het vaderschap niet iets dat je erbij doet. En in de politiek in het huidige tijdsgewricht wordt dat wel van partijleiders verwacht.

„Zijn partij zit in een roerige fase. Een PvdA-leider moet zich voor honderd procent geven, zo niet meer. Hij kan niet na verloop van tijd tot de slotsom komen dat hij meer tijd aan zijn kinderen wil besteden, zoals Wouter Bos. Of dat hij zich niet hard genoeg opstelt, zoals Job Cohen. De toekomstig leider van de PvdA moet zich volledig kunnen opofferen. Dat moet hij fijn en normaal vinden, als een mogelijkheid om carrière te maken. Ik betwijfel of Lodewijk in dat plaatje past.”

Mooie Andrée

„Mijn moeder is een heel mooie vrouw. Ook nu nog, met haar witte haren. Mijn zus en ik proberen haar goed te onderhouden; haar uiterlijk is heel belangrijk voor haar. Het stoorde mijn ouders dat ik er als tiener zo slordig uitzag. Ik droeg weliswaar geen tuinbroeken, maar aan mijn woestijnsluipers hadden zij een hekel. In hun beleving zag ik er niet uit, maar voor een politicus was ik een opvallende verschijning. Ik was 28 toen ik voor die gekke, kleine PSP in de Kamer kwam.

„‘Je was de mooiste vrouw van de Kamer’, heb ik vaak gehoord. ‘Stiekem was ik verliefd op je’. Dat klinkt vleiend, maar het heeft ook iets ongemakkelijks. Schoonheid kan een nadeel zijn, zeker als er in badinerende zin over gesproken wordt. Overigens ben ik ook vaak voor ‘hard’ uitgemaakt. Op sommigen maak ik een arrogante en gesloten indruk. Of ik dat erg vind? Nee, want op een bepaalde manier klopt dat beeld. Ik heb geen koud hart, maar sta achter mijn standpunten. Ook als andere partijen ze als ‘niet sociaal’ kwalificeren. Zo zou ik mensen de werkloosheid in hebben gejaagd toen ik besloot de gesubsidieerde banen af te schaffen. De term ‘ijskoningin’ viel zelfs. Ik redeneer andersom: het is hard om mensen afhankelijk te maken. Ze moeten op eigen kracht dingen bereiken. Daar komt bij dat gesubsidieerde arbeid kostbaar is. We hadden er het geld niet voor.”

Integratie

„Integratie vind ik een vervelend woord. Meer dan de helft van de Amsterdammers is buiten Nederland geboren of heeft ouders die van elders komen. Waarom zou je de verschillen tussen die oude en nieuwe Amsterdammers blijven benadrukken? Ik zoek liever naar de overeenkomsten. Ik benadruk dat al die culturen moeten samenwerken.

„Mijn uitgangspunt: wie in Amsterdam woont moet van de stad houden. Het is bijna een eis: draag de vrijheid en veiligheid van Amsterdam op handen. Je mag je eigen opvattingen hebben, maar dat geeft je niet het recht ze aan anderen op te dringen.

„Dus als moslimstudenten aan een openbare hogeschool voor een gebedsruimte pleiten, steun ik de hogeschool die dat weigert. In de eerste plaats omdat het een openbare school is; dat past niet. In de tweede plaats omdat er ook moslima’s waren die de schoolleiding hebben gesmeekt: doe dat niet, want de druk wordt te groot. Je moet niet onderschatten hoe moslimjongeren elkaar de maat nemen: je hoofddoek zit te hoog, je rok is te kort. En, in dit geval: waarom bid jij niet?

„Ik kom op voor de vrijheid van minderheden, zolang daar geen misbruik van wordt gemaakt. En ik geef toe: soms ligt dat heel ingewikkeld. Zo ben ik tegen het boerkaverbod, omdat ik vind dat een vrouw zelf mag beslissen wat zij aantrekt. En met het verbod op ritueel slachten ben ik het – anders dan veel partijgenoten – nooit eens geweest.

„De rechten van minderheden wegen voor mij zwaarder dan het beperken van dierenleed. Wat dat betreft wens ik GroenLinks wat meer historisch besef toe. De partij zou met álle minderheden goede relaties moeten onderhouden.”

Maarten van Traa

„Maarten was een tobber en een danser. Iemand die uitzinnig vrolijk kon zijn, maar ook consciëntieus en inhoudelijk. Bij Maarten kon ik mezelf zijn, dat had ik nooit eerder bij iemand gevoeld. Het was alsof ik opgetild werd, meegenomen. Onze relatie heeft zeven jaar geduurd [Van Traa kwam door een auto-ongeval om het leven, hij was 52, red.].

„Veel te kort natuurlijk, maar ik heb het toch maar ervaren. Ik weet nu dat het bestaat. Soms vind ik het belachelijk dat ik hem na vijftien jaar niet heb kunnen loslaten. Maar ik doe het niet voor minder. Dat besef – een grote liefde en anders niet – kan ook belemmerend zijn. Het alleen zijn gaat een grotere rol spelen. Daardoor wordt het moeilijker over Maarten te praten. Na zijn dood dacht ik: die gepassioneerdheid, die power moet ik houden, al haal ik het uit mijn tenen. Tot nu toe is mij dat aardig gelukt.”