'Ik was de rust waarin hij zwierf'

Kunstenaar Marije Hendrikx (1945) vertelt over haar grote liefde.

Wandelaars vergapen zich aan haar etalage met zelf ontworpen kleding. Ze woont erachter, in een schemerige schatkist; elk hoekje is verbouwd en versierd.

‘Als ik me akelig voel, of juist heel blij, dan schrijf ik. Dat doe ik al van jongs af aan. Ik kan in mijn woorden wonen. In mijn eerste huwelijk was ik eenzaam, en ik verwerkte die ervaringen in een soort filosofische parabel. Een uitgever was er erg enthousiast over, maar het idee dat vreemden dan alles over mijn leven zouden lezen, deed me terugdeinzen.

„Jaren later woonde ik in Den Haag, ik was gescheiden, mijn dochters waren het huis uit, en toen ontdekte ik gedichten.nl op internet. Ik begon er zelf gedichten te publiceren en las veel bijdragen van anderen. Voor één man kreeg ik grote bewondering. Dick heette hij, en zijn gedichten raakten me, ik herkende de pijn en de heftigheid die eruit sprak. Toen hij een keer op een gedicht van mij reageerde was ik er helemaal vol van: dat die man mij schreef! Er kwam een mail- en sms-verkeer tussen ons op gang waarin al gauw hele gedichten over en weer vlogen. Dick herkende zich ook in mijn schrijfsels, zei hij. Ze gaven hem een vertrouwd gevoel.

„Na een half jaar mailde hij: ik zou je weleens willen zien. Nee, nog niet, mailde ik terug. Wat we hadden was zo mooi en puur, dat wilde ik niet verstoren. Maar Dick bleef aandringen, en uiteindelijk hield ik het niet meer en schreef ik over het ‘wilde beest van onrust’ in mij. ‘Laat je gaan’, beval ik mezelf, en nam de trein naar Deventer.

„De nacht ervoor deed ik geen oog dicht. Stel je voor dat het helemaal fout zat? Dicks stem klonk mooi over de telefoon, warm en vastberaden, maar hoe zou hij werkelijk zijn? Vlak voor aankomst sms’te ik hem een beschrijving van mijn outfit. ‘Mooi’, sms’te hij terug, ‘Ik sta naakt op het perron.’ Echt een grap voor hem. Ik zag hem staan, een grote lange man in een Afghaanse jas met een gleufhoed op, en wist: dit is helemaal goed. ‘Kom maar’, zei Dick, ‘ik toon je aan de mensen hier en vertel je wat je nog weten moet’. ‘Dat hoeft niet’, zei ik, ‘ik ken je al meer dan honderd jaar’.

„Dat eerste weekend was zoals onze hele relatie zou worden: prachtig en stormachtig. Dick was een vrijbuiter. Hij had geen reguliere baan meer, hij dichtte en trad op. Hij had overal gewoond en een leger aan vrouwen versleten. Voor mij is dat nooit een punt geweest. Wat wij met elkaar hadden was belangrijk en de moeite waard.

„Dick trok al gauw bij me in, en hij bleef – op een paar korte tussenpozen na waarin ik even pauze nodig had. Dick had een destructieve, donkere kant en kon soms onverwacht heftig uitvallen. Na zo’n bui moest ik echt op adem komen, en dan vroeg ik hem om weg te gaan. Dick dook dan onder in de kroeg en leefde erop los, uit onmacht en verdriet waarschijnlijk. Maar hij kwam altijd terug. ‘Ben jij ook zo blij met ons’, zei hij dan, en dat was ik. Ik was ‘de rust waarin hij zwierf’.

„De dieptepunten ben ik gaan zien als de prijs die je betaalt voor alle fantastische hoogtepunten. Het leven met Dick was ook een feest. We lazen samen, schreven samen en genoten intens. Zoals hij met een grote grijns stamppotjes met worst en spekjes voor me stond te maken – slecht voor de lijn, maar heerlijk. Zoals hij me ’s nachts begroette met ‘Hee, wonder van mijn hart’, en dan naar de keuken verdween om terug te komen met een bord beschuitjes met aardbeien. Ik had er geen seconde van willen missen.

Sinds zijn dood in augustus is ze bezig met Dicks nalatenschap. Ze heeft net al zijn sms’jes overgetikt: 50 A4-tjes. Nu snapt ze waarom haar telefoon zo haperde.