Het Syrische getreiter werd Syrische moord

De dood van een Turkse vrachtwagenchauffeur in Syrië was de laatste druppel. De Turkse regering roept zijn burgers op het buurland te verlaten en overweegt nu ingrijpen. Portret van het chauffeursdorp Demirköprü. Hier word je geboren om chauffeur te worden.

Turks-Syrische grenspost waar de chauffeurs van Demirköprü de grens passeren. Foto AFP

Zijn familie had de Turkse vrachtwagenchauffeur Hassan Kocak in de afgelopen maanden steeds dwingender gevraagd of hij onderdehand niet eens moest stoppen met die hachelijke ritten dwars door buurland Syrië. Steeds meer collega’s kregen onderweg problemen. Ineens moesten ze duizenden dollars belasting betalen voor iedere keer dat ze de grens overkwamen. Er waren incidenten, met soldaten en milities, met kogels en stenen door de ruit. Zelfs een bus met Turkse pelgrims op de terugweg van Mekka werd niet gespaard en beschoten bij een wegversperring van het Syrische leger.

Maar je hebt chauffeurs die per se willen rijden, en chauffeurs die per se moeten rijden. Met negen kinderen thuis, onder wie twee zwaar gehandicapte zusjes, behoorde Hassan Kocak tot die laatste categorie. Hij kon niet stoppen.

Afgelopen woensdag nam iemand anders die beslissing voor hem. Met een lading verse Turkse vis in de oplegger, bestemd voor Irak, werd Kocak tien kilometer voorbij de Noord-Syrische stad Aleppo onderschept door, naar zeggen van zijn familie, speciale eenheden van het Syrische leger. „Hij reed in een konvooi van drie trucks, toen een auto zich voor zijn wagen wurmde. Ze openden meteen het vuur met automatische wapens”, vertelt zijn zoon Ahmet Kocak, zelf ook chauffeur. „Zijn wagen raakte van de weg en sloeg over de kop. Vader was op slag dood.”

Zo kwam de strijd aan de andere kant van de grens ineens dit Turkse grensdorp binnen. Het is een dorp van chauffeurs. De meeste bewoners van dit gehucht zijn Turkse Arabieren, die al jaren worden ingehuurd om Turkse goederen naar het Midden-Oosten te rijden. Ze spreken de taal. Ze weten de weg.

Hier word je geboren om chauffeur te worden. Gaat het goed tussen Turkije en de Arabische buurlanden, dan gaat het goed met Demirköprü.

Het ging heel goed tussen de buurlanden na de dood van de oude president Hafez Assad. Met het aantreden van zijn zoon Bashar in 2000, kwamen de plannen om de mijnenvelden te ruimen en de hekken te lichten die decennialang de families aan de grens hadden gescheiden. De tijden van de Koude Oorlog, waarin Ankara en Damascus dansten naar het pijpen van hun concurrerende broodheren in Washington en Moskou, waren voorbij. De visumplicht werd afgeschaft. De chauffeursfamilie Kocak reisde zonder problemen naar de ooms en tantes in Idlib, net over de grens. Totdat in Syrië de dagen van woede uitbraken, deze week precies een jaar geleden.

Nu wordt het chauffeursdorp Demirköprü meegezogen in de bloedige onderdrukking van de opstand in Syrië. Aan de lange weg, die parallel loopt met de grensrivier, ontstond zes maanden geleden een vluchtelingenkamp. In de afgelopen 48 uur kwamen er meer dan 1000 vluchtelingen de Turkse grens over. Ze vluchtten voor de strafcampagnes van het Syrische leger, die bijna 15.000 Syriërs naar Turkije hebben gedreven.

De noordelijke stad Idlib is weer ferm onder controle van de Syrische regeringstroepen. De rebellen van het Vrije Syrische Leger likken hun wonden in de bergen, of ze trekken zich terug naar Turkije. Zeven gedeserteerde generaals schuilen in de Turkse kampen. „De soldaten van Assad hebben nu de stad tot aan de laatste school in handen”, meldt Badir Has Youssef vanuit Idlib per telefoon. „In alle uithoeken van de stad zijn sluipschutters actief. Er zijn om de 300 meter wegversperringen in de stad. In de afgelopen 24 uur werden drie kinderen neergeschoten. Hier zijn hun namen: Monar Qas, Mohammed Salim Nassuh en Abdel El-Jamaal Attar…” Dan wordt de lijn verbroken.

Maar het zijn niet de doden in Idlib die de impasse van de Turkse regering van de afgelopen maanden doorbraken. Het was de dood van vrachtwagenchauffeur Hassan Kocak. Even na het vrijdaggebed wordt zijn lichaam in een groene lijkwagen teruggebracht naar Demirköprü. Tientallen vrouwen zetten hun kelen aan, als de groene kist boven de hoofden van de mannen het huis wordt binnengedragen. Zijn jongste dochter stampvoet: „Vader, wat moeten we nu beginnen. Deze familie is kapot.”

Op dat moment arriveert ook het nieuws dat de Turkse regering alle Turkse burgers oproept Syrië direct te verlaten. Het is er niet langer veilig voor de Turken, vindt premier Recep Tayyip Erdogan nu ineens. De dood van een chauffeur plus de arrestatie en vermeende marteling van twee Turkse journalisten blijken de druppel. De consulaire afdeling van zijn ambassade in Damascus wil hij nog voor 22 maart sluiten. En de premier zegt nu een bufferzone langs de Syrische grens „te overwegen”, om een veilige vlucht van de Syrische burgerbevolking te kunnen garanderen. Hoe zo’n bufferzone eruit zal zien en of de Turken daarvoor het internationale mandaat krijgen dat ze willen, moet nog maar blijken.

Het scenario van begin jaren negentig, toen een half miljoen Irakezen naar Turkije op de vlucht sloegen voor de gasaanvallen van Saddam Hoessein, wil Ankara hoe dan ook voorkomen. „We rijden niet langer door Syrië. We kunnen geen chauffeur meer vinden die nog durft. Er is te veel haat tegen ons. Niet van de mensen, maar van de soldaten”, zegt zoon Ahmet Kocak.

Door Syrië liep de snelle transitroute voor zijn vrachten naar Irak, Iran, Libanon, Saoedi-Arabië. Verse vis, vaak nog levend in het ijs, brachten ze liever niet via de Iraakse grens. De autoriteiten in het Noorden van het land deden altijd moeilijk. Maar nu hebben de chauffeurs weinig keus: liever de Iraakse bureaucraten dan de Syrische kogels.

Het getreiter begon maanden geleden, kort nadat premier Erdogan president Bashar Al-Assad had opgeroepen af te treden en economische sancties tegen het Syrische regime had afgekondigd. „Ineens moesten we dagen wachten bij de grens. En zakken vol met geld betalen. En wat heeft Erdogan misgedaan? Hij vroeg alleen maar om meer democratie.”

Het is niet voor het eerst dat de chauffeursfamilies in een oorlog verzeild raken die de hunne niet is. Onder het luidkeelse snikken van de weduwe, schreeuwt de buurvrouw, Fikret Demir, dat haar dit zeven jaar geleden al is overkomen. Haar man bleef rijden naar Irak, zelfs toen daar de strijd steeds meer op een burgeroorlog begon te lijken. Hij kwam nooit meer terug. „Ik weet niet eens waar zijn lichaam is. Ik weet niet wie hem heeft vermoord. Ik weet alleen dat ik niet meer op hem hoef te wachten”, zegt ze.

Toen zijn broer het lijk van Hassan Kocak ophaalde in het mortuarium van Aleppo, kreeg hij het lichaam terug op één voorwaarde. Met zijn hand op de Koran moest hij beloven geen zaak te beginnen tegen de Syrische autoriteiten en de dood van zijn broer te accepteren als een ongeluk. Bij de grens werd hij onthaald op de veelzeggende lach van de Syrische grenswachten. „Waar is die premier van je nou, met zijn grote woorden? Wat doet hij voor jou, nu je broer dood is?” Oom had daar geen antwoord op, zegt Ahmet Kocak. Oom is ook maar vrachtwagenchauffeur. De strijd in Syrië was een jaar lang de pijn van andere mensen. Nu is het ook de pijn van Demirköprü.