Het pedogevaar is het grootst als het gezichtloos blijft

Door zaken als die van Robert M. ziet een verontruste samenleving alle pedofielen als kindermisbruikers, stelt Ted van Lieshout. Ook pedo’s die hun gevoelens onderdrukken. Maar juist als zij gezichtloos blijven, is het gevaar des te groter.

Er was een tijd, pakweg dertig jaar geleden, waarin pedoseksuele contacten tot op zekere hoogte bespreekbaar waren. Mensen stonden er niet per definitie extreem afwijzend tegenover, omdat zij van mening waren dat kinderen op hun weg naar volwassenheid recht hadden op hun eigen seksuele ontwikkeling en daarin zou onder bepaalde omstandigheden ruimte kunnen zijn voor participatie door volwassenen.

Dat lijkt nu volstrekt ondenkbaar. Mannen die zich – doorgaans anoniem – afficheren als ‘hulpverlener’ bij de seksuele ontwikkeling van de jeugd, komen niet zelden over als engerds. Pedo’s met een gezícht zijn er nagenoeg niet, behalve als ze door de media te kijk zijn gezet als pedoseksueel of kindermisbruiker.

Gewone, doordeweekse pedofielen kennen we niet. Het verschil is niet voor iedereen duidelijk. Ik meen het wel te weten: pedofielen zijn mensen die bij zichzelf herhaaldelijk seksueel getinte gevoelens voor kinderen ontdekken en daar al of niet mee worstelen; pedoseksuelen streven seksuele contacten met kinderen ook daadwerkelijk na. Pedoseksueel verkeer kun je verbieden en bestraffen, maar pedofiele gevoelens an sich naar alle redelijkheid niet, aangenomen dat zulke gevoelens je overkomen en dat je daar niet zo bijster veel aan kunt doen, behalve ze wegdrukken.

Het beangstigende is dat het er helemaal niet meer toe doet of een pedo ooit iets met kinderen heeft uitgespookt of niet; het enkele feit dat hij pedofiel is, is voor de hedendaagse maatschappij voldoende om hem uit te kotsen en te drijven naar de rand van de samenleving, in de hoop dat-ie er vanaf dondert. Daarmee staat het principe dat iemand pas schuldig is als die schuld rechtmatig bewezen wordt geacht, onder druk. Deze week riep RTL Boulevard-presentator Albert Verlinde uit dat hij hoopt dat de advocaat van Robert M. zijn best niet voor zijn cliënt zal doen. Hij vertolkt de mening van heel veel mensen die vinden dat wie met zijn tengels aan kinderen zit, zijn mensenrechten dient te verliezen. Een gevaarlijke ontwikkeling, want als je vandaag marchandeert met de rechten van de ene groep, kun je dat morgen doen met de rechten van een andere groep.

Je verliest ermee ook je gevoel voor proportie: de gevoelstemperatuur van de samenleving suggereert dat we het vermoorden van een kind minder erg vinden dan het aanranden van een kind. Vraag je individuen wat ze erger vinden, dan wordt het ombrengen van een kind beduidend zwaarder opgenomen. Misschien speelt hierbij een rol dat als een kind vermoord wordt de maatschappij daarin min of meer berust, terwijl ontucht voor verontrusting zorgt. Dat is ook wel begrijpelijk als je hoort dat Robert M. zich vergrepen heeft aan 87 kinderen van 0 tot 2,5 jaar. Hoe en in welke mate wordt in het ongewisse gelaten, en voor de meeste mensen doet het er ook niet toe: een pedofiel is iemand die kinderen heeft misbruikt en dat zal blijven doen, tenzij hij wordt tegengehouden.

Juist in de afgelopen periode, nadat mijn boek Mijn meneer uitkwam over de pedofiele relatie die ik in mijn jeugd had met een volwassen man, is mij uit de vele reacties gebleken dat er heel veel mannen zijn die wel pedofiele gevoelens hebben, maar daar niet aan toegeven. Bijvoorbeeld omdat ze bang zijn voor de gevolgen of omdat ze het van zichzelf niet accepteren. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat pedo’s hun diepere gevoelens niet uitdragen en een soort ondergronds leven leiden als ze daarmee op de een of andere manier iets willen of moeten doen.

We zijn het gewend dat we geen pedo’s kennen en dat vinden we ook wel prettig en makkelijk zo, vooral als we ze willen veroordelen. Je kunt een groep mensen die je niet kent nu eenmaal makkelijker haten dan mensen die je wel kent. Voor mij persoonlijk wordt dat echter steeds moeilijker, omdat ik niet alleen brieven en mails krijg van pedo’s, maar ook van hun moeders, broers, zussen en kinderen, die vaak verscheurd worden door hun liefde voor hun familielid enerzijds en het oordeel dat ze hebben over seks met kinderen anderzijds. Ik krijg ook reacties van voormalige slachtoffers die veel gedifferentieerder en doorleefder kijken naar de ervaringen uit hun jeugd dan ooit in maatschappelijke discussies naar voren komt.

Is de relatieve onzichtbaarheid van pedo’s de reden waarom de afkeer jegens hen almaar grondiger wordt? Omdat ze geen gezicht hebben en dat ook niet krijgen in soms ronkende reportages in de media, waarin geen spoor van nuance te vinden is? Wie is geholpen bij die wijze van verslaggeving, die niet zelden ingegeven lijkt te zijn door de zucht naar hoge kijkcijfers? Een reportage maken over een pedo is een stuk makkelijker en aanmerkelijk minder gevaarlijk dan een doorgewinterde bajesklant in de val lokken: je doet je op internet voor als kind, wacht tot iemand toehapt, gaat met een camera naar de plaats van ontmoeting en klaar is Kees.

Het publiek is verontrust als die pedo in de eigen buurt blijkt te wonen en men doet er alles aan om hem weg te krijgen. Waarheen doet er niet toe. Weg ermee. Het probleem is ‘opgelost’ en de buurt waar de pedo terechtkomt weet nog niet waar ze mee opgezadeld is. Wat niet weet, wat niet deert. Het zou volgens mij beter zijn als pedo’s wél een gezicht hadden. Niet doordat ze ontmaskerd worden, maar doordat ze er uit vrije wil voor uit kunnen komen, zonder voor hun veiligheid te hoeven vrezen.

Als ik een ouder was zou ik liever tegen mijn kind zeggen: die meneer op de hoek vindt seks met kinderen fijn, dus kijk een beetje voor hem uit. Dat kan weliswaar voor een vals gevoel van veiligheid zorgen omdat er wel meer dan één pedo in de buurt kan wonen, maar het is wel een concretere waarschuwing dan: kind, er zijn mannen op de wereld die seks met je willen, maar ik weet niet wie het zijn en ik weet niet waar ze zitten. Aan de andere kant: als je je er niet steeds bewust van bent dat er pedo’s rondlopen die je niet kunt herkennen aan hun regenjas en de zak snoep waarmee ze uit de bosjes springen, kun je onbezorgder over straat.

De berichtgeving over misbruikzaken zoals die van Robert M., waarbij de details meestal worden overgelaten aan de verbeeldingskracht van het publiek, hebben gezorgd voor een verhevigd gevoel van onveiligheid, onbehaaglijkheid en valse verdenking. Dat heeft volgens mij kwalijke gevolgen voor het functioneren van de samenleving. Mannen die werkzaam zijn in de babyzorg, de peuterbegeleiding en het kleuteronderwijs zijn tegenwoordig haast van nature verdacht. Ik heb talloze verhalen gehoord van mannen die hun beroep ontvluchtten omdat ze geen zin meer hadden om te verdedigen waarom ze werkzaam waren in een beroep dat steeds meer het exclusieve werkterrein van vrouwen wordt. Ze waren de verholen verdachtmakingen zat en voelden zich er tot op het diepst van hun ziel beledigd en gegriefd door.

Het vertrek van mannen uit kinderverzorgende en –begeleidende beroepen zal naar alle waarschijnlijkheid doorzetten, omdat het ontbreken van sprekende voorbeelden instromers afschrikt; als ze mannen eenmaal uit dit soort beroepen zijn verdwenen, krijg je ze er niet zo maar in terug. Dat is toch vreselijk? En wat misschien nog erger is: wat voor blijvende indruk laat het achter op kinderen als ze merken dat de mannen in hun omgeving beschouwd worden als potentieel gevaarlijk? Dan lijkt de remedie me erger dan de kwaal.

Ik moet toegeven dat ook ik vergiftigd ben door onredelijke argwaan. Ik merk regelmatig dat ik naar mannen in de nabijheid van kinderen kijk en me afvraag waarom ze geen ander beroep gekozen hebben. Omgekeerd komt het voor dat men mij verdacht vindt omdat ik doorgaans voor kinderen schrijf. Het gif zit zo diep en het is zo alom tegenwoordig, dat ik hier nu zelfs moet benadrukken dat ik niet opkom voor de belangen van pedo’s, maar voor die van kinderen die in de verdrukking dreigen te komen omdat de maatschappij en de media geen manier kunnen vinden om op een gezonde manier om te gaan met kindermisbruik. Het bestáát nu eenmaal en zoek dan in hemelsnaam naar een manier om kinderen voor verder trauma te behoeden. We moeten onszelf niet wijsmaken dat als mannen uit het leven van kinderen verwijderd zijn (ik chargeer een beetje), het probleem is opgelost. Het onzichtbaar maken van het gevaar vergroot het gevaar eerder, want onzichtbaar gevaar is oncontroleerbaar gevaar.

Heb ik dan geen begrip voor ouders die bang en overstuur zijn? Natuurlijk wel. Ouders zijn óók slachtoffer als hun kind in handen is gevallen van een pedoseksueel. Niet alleen in de zin die rechtbankvoorzitter Bauduin bedoelde toen hij in de rechtzaak tegen Robert M. zei: „Schade aan het kind, is schade aan de ouder.” Hij heeft daarin gelijk. Ouders voelen zich terecht vaak slachtoffer en niet alleen als vertegenwoordiger van zulke jonge kinderen als in deze zaak, maar ook als het gaat om oudere kinderen en wel zelf zouden kunnen aangeven wat er met hen gebeurd is. Je hoeft geen psychologie gestudeerd te hebben om te begrijpen dat ouders zich beschadigd kunnen voelen als hun mondige kind misbruikt is en zij dat pas te weten komen als het misbruik al geruime tijd bezig is of in het verleden heeft plaatsgevonden.

Eén dilemma is: waarom heb ik het niet gemerkt? Heb ik niet opgelet? Was ik zo druk met andere dingen dat het aan mijn aandacht is ontsnapt? Ben ik wel een goede ouder als zoiets vlak onder mijn neus heeft kunnen plaatsvinden? Het andere dilemma: waarom heeft mijn kind mij niet in vertrouwen genomen? Ik heb mijn kind steeds voorgehouden dat het altijd naar me toe kan komen als er iets is. Dat als volwassenen rare dingen met je doen, dat nóóit de schuld van het kind is. En tóch is het gebeurd en kwam mijn kind niet naar me toe.

Ik kan me voorstellen dat ouders het eerste dilemma ervaren als een tekortkoming en het tweede als een kwetsend gebrek aan vertrouwen, maar van iets oudere kinderen is het begrijpelijk dat ze niet staan te springen om naar hun ouders te gaan. Als je ziet hoe hysterisch de maatschappij reageert, ben je bang dat je ouders ook ontploffen. En wat dan?

Ik vermoed dat een kind dat van zijn fiets de bosjes in wordt getrokken en weet te ontsnappen, onmiddellijk naar huis rent of naar de politie om het te vertellen. Voor dát soort kinderlokkers word je immers gewaarschuwd en die zijn onmiddellijk herkenbaar. Bovendien is de situatie duidelijk: er is sprake van een schuldige aanvaller en een onschuldig slachtoffer. De maatschappij gaat er doorgaans vanuit dat het altijd déze situatie is die zich voordoet als het om kindermisbruik gaat.

Maar meestal zal het niet zo duidelijk zijn. Niet zelden is een kind allang vrijwillig meegegaan als het in de gaten krijgt dat het dat beter niet had kunnen doen. Hoe vertel je dat thuis? Waarschijnlijk gaat een kind dat oud genoeg is eerst in gedachten na welk scenario het best is. Vertel je de waarheid en geef je toe dat je bent meegegaan, hoewel je wist dat je dat eigenlijk niet had moeten doen? Morrel je een beetje aan de waarheid om jezelf als volstrekt zonder schuld voor te stellen, zodat je geen straf krijgt? Maar wat dan als de politie erbij komt en die verhoort je? De politie heeft slimme methoden om je te betrappen op leugens, en als de politie er eenmaal achter komt dat je niet precies de waarheid hebt gezegd, dan zit je pas echt in de problemen! En zo kan het gebeuren dat een kind besluit om maar niks te zeggen, omdat de gevolgen volstrekt ongewis zijn.

Of om het op mezelf te betrekken: toen het mij destijds gebeurde had ik wel een idee van wat een kinderlokker was, maar in de man die op mijn pad kwam herkende ik er geen. Van het woord pedofiel had ik nog nooit gehoord. Toen ik in de gaten kreeg dat het niet helemaal normaal was wat ik meemaakte heb ik thuis niets gezegd omdat de pedo die ik getroffen had mij omringde met aandacht, wat ik fijn vond. Ik piekerde er niet over om daar open over te zijn; ik was bang dat ik dan niet terug zou mogen. Toen het uitdraaide op seksueel contact en ‘mijn meneer’ daarbij te ver ging, heb ik er een einde aan gemaakt. Ik ben niet tegengehouden, niet bedreigd, niet verkracht. Ik heb gezwegen. Ik was bang dat mijn moeder er de politie bij zou halen en dat de politie er dan achter zou komen dat ik vrijwillig meegegaan was, en dat ik dus, in mijn eigen ogen, medeschuldig was. Ik dacht dat ik dan misschien naar een gesticht moest en daar had ik helemaal geen zin in.

Het mag dan nog zo gebruikelijk zijn om kinderen in te prenten dat ze nooit medeschuldig zijn aan hun eigen misbruik, volgens mij gelooft geen enkel kind dat. Ik zou zo’n boodschap ervaren hebben als een truc om de waarheid uit mij te krijgen. Ik was niet op mijn achterhoofd gevallen; niemand had iets kunnen zeggen waardoor ik me níét medeverantwoordelijk had gevoeld. En daarbij: als de politie eraan te pas kwam, wie zouden ze dan geloven? Die volwassene of mij? Elk kind weet – dénkt – dat volwassenen serieuzer genomen worden dan kinderen. Dat risico durfde ik niet aan.

Ik ben zelf nooit naar de politie gegaan, ook niet toen ik eenmaal volwassen was geworden. Ik heb aangifte achteraf wel overwogen om andere kinderen te beschermen. Maar omdat er geen enkel bewijs voor was dat hij ook andere kinderen lastig had gevallen en ik op basis van wat mij overkomen was aangifte bij de politie ervoer als een onhebbelijke vorm van wraak, heb ik het niet gedaan. Dat is me in de afgelopen periode wel verweten, omdat het idee heeft postgevat dat alle pedo’s altijd kinderen lastigvallen en het nimmer bij één kind laten. Maar ik blijf op het standpunt staan dat er in mijn ‘pedozaak’ maar één iemand was die het recht had om te besluiten om wel of niet aangifte te doen, en dat was ik.

De gang naar de politie lijkt me voor elk kind een crime, zelfs als het kind zich onschuldig weet; het is niet voor niets dat sommige ouders die betrokken zijn bij de zaak Robert M. hebben aangegeven hun kind er verder niet aan te willen blootstellen, uit angst voor verdere beschadiging. Daarmee wil ik niet zeggen dat ouders die wel meewerken aan de vervolging van Robert M. in strijd met het belang van hun kind handelen, want het is dankzij hun inzet dat vervolging mogelijk is. Het gaat hier om zulke jonge kinderen dat het aan hun ouders is om beslissingen te nemen over wat er verder moet gebeuren en dat lijkt me zo hondsmoeilijk, dat elk besluit me even moedig lijkt.

Ted van Lieshout is schrijver van kinderboeken. Dit jaar verscheen zijn eerste boek voor volwassenen, Mijn Meneer.