Geef niet toe aan die emotie

De evolutie heeft de mens ooit uitgerust met een diep wantrouwen tegenover vreemden. Populisten spelen daar met vlagen op in, maar in een geglobaliseerde wereld werkt deze emotie juist contraproductief, betoogt Hendrik Gommer.

Blanke Amerikanen poseren bij het lijk van de Afro-Amerikaan William Brown, die op 28 september 1919, tijdens de rassenrel van Omaha, werd gelyncht en verbrand.

Stelt u zich voor – uw eigen zoon biecht op dat hij na een avondje stappen in een portiek heeft staan plassen. Als beschaafd Nederlander zult u hem bestraffend toespreken, maar vervolgens is het zand erover. Als u daarentegen een Roemeen of Bulgaar in het park tegen een boom ziet piesen, zult u de neiging hebben hier openlijk schande van te spreken. Misschien is het wel een gevalletje voor een meldpunt of zo.

Laat ik het anders stellen. Stelt u zich voor – een Braziliaanse vrouw wordt in haar dorp verkracht. Hoezeer raakt die gebeurtenis u? Ik stelde deze vraag aan 350 Nederlanders, van vmbo-scholieren en studenten tot rechters. Conform de verwachting bleek dat vrouwen meer geschokt waren dan mannen. Ongeveer de helft van de mannen liet weten nauwelijks te zijn geraakt door de gebeurtenis.

In dezelfde vragenlijst werd gevraagd hoe men zich zou voelen als een eigen dochter was verkracht. Zowel mannen als vrouwen lieten weten zeer aangedaan te zullen zijn. Het bleek dat mensen erg geschokt zijn als dorpsgenoten, vrienden, directe familie en eigen kinderen – in die volgorde – iets overkomt, maar schade aan mensen van een ander ras of andere nationaliteit wordt gemiddeld even vervelend gevonden als schade aan het eigen huisdier.

Let wel, het gaat hier om de eerste emotie. De ondervraagden moesten binnen tien seconden antwoorden. De antwoorden bleken behoorlijk consistent over alle lagen van de bevolking. Hoewel het onderzoek bedoeld was om de biologische grondslagen van ons recht bloot te leggen, blijken de resultaten ook een les voor de politiek in te houden.

Op zich is er niet zo veel mis met dergelijke gevoelens. We hebben ze allemaal. Als je een groep jonge mannen met een andere huidskleur tegenkomt, loop je liever een eindje om. Dit verschijnsel staat in de evolutionaire psychologie bekend als het in-group/out-group-principe. In de tijd dat mensen nog in kleine stammen leefden, konden mensen van een andere stam – de out-groupers – een bedreiging vormen. De vrees voor out-groupers was niet ten onrechte. De meeste doden vielen immers in conflicten tussen stammen. Een hechte groepsband was erg belangrijk om zich goed te kunnen verweren tegen andere stammen. Bínnen de groep golden normen die de groepsband moesten versterken. In de Bijbel kunnen we lezen: „hebt uw buren lief als uzelf” (Leviticus 19:18). Voor de eigen groep gold het adagium „u zult niet doden”, maar voor mensen buiten de groep gold een heel andere moraal. Zij werden bij voorkeur bij bosjes in de pan gehakt.

Deze omstandigheden hebben waarschijnlijk tienduizenden, zo niet honderdduizenden jaren geduurd. De evolutionaire psychologie leert ons dat deze emotie daarom diep in ons aanwezig is. In de volksmond noemen we dit ‘onderbuikgevoelens’. Het zijn deze, evolutionair zeer oude, gevoelens die als een eerste reactie opkomen en die moeilijk te onderdrukken zijn – ook niet door rechters in de rechtszaal, zoals recentelijk bleek uit onderzoek.

Een paar duizend jaar geleden heeft zich evenwel een drastische omslag voorgedaan in de leefwijze van mensen. Onze voorouders leerden hun gevoelsmatige groepsmoraal om te zetten in regels en wetten. Mede dankzij de staat en wereldreligies werden ze ook toegepast op vreemden. Dat waren immers potentiële handelspartners of zieltjes voor de eigen religie. Voortaan werden ook vreemdelingen – zoals de Samaritanen – gerekend tot groepsleden: „hebt ook uw vijanden lief”.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog beseften we pas goed hoe belangrijk het is om mensen van andere nationaliteiten, rassen en zelfs andere religies te beschouwen als groepsgenoten. Het alternatief is enorm afschrikwekkend, telkens weer. Telkens als ‘vreemden’ als minderwaardig worden afgespiegeld, slaat de vreemdelingenangst vroeg of laat om in vreemdelingenhaat. Niet zelden is een uit de hand gelopen conflict het gevolg, gepaard gaande met onvoorstelbare gruwelijkheden. Soms zeggen beelden meer dan woorden. Bekijk de foto, gemaakt op 28 september 1919, waarop de Afro-Amerikaan William Brown wordt verbrand omdat hij betrapt is op diefstal. Blanke Amerikanen poseren met trots bij hun slachtoffer.

‘Nooit meer’, heette het na de Tweede Wereldoorlog. Talloze landen ondertekenden de Universele Verklaring voor Rechten van de Mens. Prominent hierin staat opgenomen dat we alle mensen moeten beschouwen als gelijkwaardig, onafhankelijk van ras, nationaliteit, geaardheid of religie, als groepsgenoten zogezegd. De oproep vijanden lief te hebben – die overigens ook zijn equivalent kent in de islam: „God kan van u vragen om te houden van degenen die u als vijanden beschouwd” (Sura 60:7) – werd zo niet zonder succes gecodificeerd in de mensenrechten.

Tegenwoordig overleggen we met praktisch alle landen van de wereld. We drijven handel. Er is relatieve vrijheid van reizen, praktisch overal naartoe. Dankzij de wereldwijde uitwisseling van kennis zijn we overal toe in staat. Ook vanuit evolutionair oogpunt legt ons het ‘liefhebben’ van vreemden geen windeieren. Rond 5000 v. Chr. bedroeg de wereldbevolking ongeveer 5 miljoen mensen. Vanaf dat moment organiseerden mensen zich in staten. Ze legden hun groepsnormen vast in wetten. Dit resulteerde in een exponentiële groei tot aan 1940 (2,2 miljard mensen). Na de Tweede Wereldoorlog werd de versnelling ingezet, met als gevolg dat we zestig jaar later met zeven miljard mensen de wereld bevolken. Wereldwijde samenwerking tussen die mensen is nodig om bedreigingen als virusuitbraken, aardbevingen, klimaatverandering, voedselschaarste, en nog meer het hoofd te bieden.

Massale immigratie gaat in tegen onze primaire drijfveren. Een samenleving kan hierdoor worden gedestabiliseerd. Anderzijds is het appelleren aan vreemdelingenangst een succesvolle strategie om mensen het gevoel te geven dat je zegt wat zij denken. Het appelleren aan oer-emoties vereist niet veel meer dan oneliners. Het is een kleine stap van „Polen nemen ons werk af” naar „dood aan de Polen”. Het vereist evenwel inzicht en kennis om in te zien dat emoties uit een ver verleden soms slechte raadgevers zijn in een globaliserende samenleving.

Toegeven aan die emoties op politiek niveau zet ons duizenden jaren terug in onze beschaving. Het benoemen en aanwakkeren van en handelen naar vreemdelingenangst zal onherroepelijk leiden tot achteruitgang. Je zou dit een natuurwet kunnen noemen – achteruitgang in de internationale betrekkingen, achteruitgang in de handel, achteruitgang in de groepsstabiliteit, achteruitgang in het gevoel van veiligheid, achteruitgang van de economie en toename van het aantal slachtoffers.

Het afwijzen van het PVV-meldpunt, deze week door het Europees parlement, is in lijn met deze natuurwet. Hieruit volgt dat meldpunten expliciet gericht op ‘vreemdelingen’, herinvoering van de gulden, het uitstoten van Griekenland uit de EU, het benadrukken van het gelijk van de eigen religie of het onmogelijk maken van een dubbele nationaliteit contraproductief werkt. Dat geld kan beter worden besteed aan het verplicht leren van een wereldtaal als het Engels, uitwisselingen van scholieren tussen verschillende landen, het versterken van het groepsgevoel binnen de Europese Unie of het versnellen van de politieke eenwording. Internationalisme geeft ons veel meer welvaart dan nationalisme en fundamentalisme. Onze VOC-mentaliteit zou dit toch moeten bevestigen.

De evolutie heeft mensen behalve primaire emoties ook grote hersenen gegeven. Laten we deze hersenen vooral blijven gebruiken in het belang van onszelf en ons nageslacht.

Hendrik Gommer doet onderzoek naar biologische grondslagen van het recht, aan de Universiteit van Tilburg. Hij is auteur van A Biological Theory of Law.