Een verlengstuk van het oog

De New Look, het Bauhaus, de femme fatale, de polonaise. Europa is meer dan eurofobie en bankencrises. In een serie over de cultuur die het continent bindt: fotografie, van Nièpce tot Magnum.

De etymologie is Grieks (lichtschrijverij); de associaties zijn Amerikaans (Polaroid, Eastman, Kodak), maar de fotografie is vóór alles een Frans product. Vele van de beslissende momenten uit de geschiedenis van de gevoelige plaat manifesteerden zich in Frankrijk. Om te beginnen: de snel vervagende afbeelding van de werkelijkheid die de Bourgondische uitvinder Nicéphore Nièpce in 1816 maakte door in een verduisterde ruimte, een zogeheten camera obscura, een plaat met lichtgevoelig materiaal aan de buitenwereld bloot te stellen. Een experiment dat hij tien jaar later perfectioneerde , toen hij het uitzicht uit zijn dakraam wist te vangen op een tinnen plaat die was bestreken met bitumen. De belichtingstijd was acht uur, maar anders dan bij vorige ‘heliografieën’ kon de beeltenis wel worden gefixeerd.

Nièpce stierf in 1833, vier jaar nadat hij was gaan samenwerken met de Noord-Franse theaterarchitect Louis Daguerre (1787-1851). Zijn experimenten met lavendelolie als lichtgevoelige mengstof in het bitumen werden door Daguerre verruild voor een onderzoek naar de lichtgevoelige eigenschappen van zilverjodide. In 1837 ‘ving’ Daguerre bij toeval een beeld door het belichten van een verzilverde koperplaat waarover hij kwikdamp liet gaan – een vroege vorm van ontwikkelen. De ‘daguerrotypie’ was geboren, een prehistorische foto (zonder negatief) die een lange belichtingstijd vergde, maar niettemin enkele klassieke afbeeldingen opleverde: een registratie van de Parijse Boulevard du Temple (1838) met daarop de eerste gefotografeerde menselijke figuren, een schoenpoetser en zijn klant die kennelijk lang genoeg stilstonden om de tien minuten sluitertijd te overleven; een spookachtige buste van de zwart-romantische schrijver Edgar Allan Poe; een vroeg staatsieportret van de Amerikaanse president-in-wording Abraham Lincoln.

De laatste twee daguerrotypieën waren van Amerikaanse makelij, mogelijk gemaakt doordat de Franse staat de uitvinding van Daguerre had gekocht en in 1839 gratis ter beschikking had gesteld aan de hele wereld. Pech voor de Britse chemicus William Fox Talbot, die onafhankelijk van Nièpce in de jaren dertig was gaan experimenteren met fotografie, en die zijn uitvinding van gevoelig zilverchloridepapier en van een proces om meerdere afdrukken van een negatief te printen, niet meer te gelde kon maken. De ontwikkeling van de fotografie ging daarna snel: in 1850 kwam het glasnegatief, in 1861 werd met behulp van drie filters de eerste kleurenfoto gemaakt, vanaf 1871 was het niet meer nodig om de glasplaten in natte staat (dat wil zeggen met collodium) te belichten, in 1888 vond Kodak de rolfilm uit (die gebruikt kon worden in een camera voor dummy’s), in 1948 kwam de eerste directklaarcamera op de markt en vanaf 1981 werd de gevoelige plaat overbodig door de ontwikkeling van de digitale fotografie.

Onder de vroegste 19de-eeuwse foto’s zijn opvallend veel stillevens, landschappen en naakten. Fotografen spiegelden zich aan de belangrijkste beeldende kunst van hun tijd, de schilderkunst; een interessante tendens, aangezien vooral impressionistische schilders bij hun werk juist veel gebruikmaakten van foto’s – denk aan de Nederlandse stadstaferelen van Breitner. Een van de grootste fotografen van de 20ste eeuw, Henri Cartier-Bresson (1908-2004), begon zijn carrière dan ook als schilder. Pas na zijn kennismaking met de losse benadering van de fotografie door de surrealisten en de Hongaarse fotojournalist Munkacsi raaktehij ervan overtuigd dat een foto „de eeuwigheid in een enkel moment kon vastleggen”. Gewapend met een Duitse Leica 50 mm-camera („het verlengstuk van mijn oog”), en onder invloed van zijn Oost-Europese vrienden David Szymin (later Seymour) en Endré Friedmann (Robert Capa), ging hij de straat op om de wereld in volle beweging te vangen. In 1937 fotografeerde hij de Spaanse Burgeroorlog en de kroning van koning George VI. In 1945 maakte hij – heelhuids ontsnapt aan Duitse werkkampen en werk in het verzet – een documentaire over de terugkeer van krijgsgevangenen en ontheemden in Frankrijk.

Cartier-Bresson was een van de oprichters van Magnum Photos (1947), een coöperatie die de vinger aan de pols van de tijd wilde houden en zou uitgroeien tot het beroemdste fotopersbureau ter wereld. Voor Magnum fotografeerde hij onder meer de begrafenis van Gandhi (1948), de Chinese Burgeroorlog en de Indonesische dekolonisatie (1949). Steevast in zwart-wit, zonder flits en altijd op zoek naar wat hij ‘le moment décisif’ noemde, het ogenblik waarin de essentie van een bepaalde gebeurtenis besloten ligt. The Decisive Moment was de Engelse titel van een bloemlezing van zijn werk uit 1952. In het voorwoord betoogde Cartier-Bresson dat er niets in deze wereld is dat geen beslissend moment heeft.

„Fotografie lijkt niet op schilderen”, zei Cartier-Bresson in 1957. Niettemin trok hij zich negen jaar later terug uit Magnum – lees: de fotojournalistiek – om zich te wijden aan portretten en landschappen.

Pieter Steinz