Woodstock voor de Kony-toerist

Het gaat goed met Gulu in Noord-Oeganda. Maar je struikelt er nu over hippe hulpverleners die een half jaartje goed willen doen.

Oegandese jeugdwerkers vertoonden dinsdag de nu al legendarische ‘Stop Kony’-video in het stadje Lira in Noord-Oeganda. Ze wilden weleens horen wat de mensen zelf te zeggen hebben in de regio waar de hele wereld sinds kort een mening over heeft. Geen gek idee. De meeste Noord-Oegandezen weten niet wat een hashtag of vind-ik-leuk-knop is, laat staan dat ze weten van de ophef over het filmpje Kony 2012.

Naar schatting vier- tot vijfduizend belangstellenden kwamen naar Lira, velen legden kilometers af te voet. Enkelen op één been – het andere werd ooit afgerukt door een landmijn uit de tijd van Kony’s Verzetsleger van de Heer (LRA).

De toeschouwers reageerden ontzet. Ontzet, dat een onbekende Amerikaan Joseph Kony „beroemd” wil maken. Ontzet, dat onwetende buitenlanders aangemoedigd worden T-shirts te kopen met de afbeelding van hun nachtmerrie. Ontzet, dat Oegandezen zelf niets was gevraagd. De toeschouwers bekogelden het videoscherm met stenen en flessen; de organisatoren en aanwezige buitenlandse journalisten kwamen met de schrik vrij.

Wat een contrast met Gulu. Dit stadje, nog iets noordelijker dan Lira, is uitgegroeid tot een magneet voor hulpverleners sinds het LRA zes jaar geleden Oeganda uit werd gejaagd. Gulu, ooit toevluchtsoord voor bewoners van het omliggende platteland, is nu een boomtown.

Afgelopen week, toen ik er als journalist op pad was, reed een bus vol uitgelaten Amerikaanse tieners door de stad. Ze vergezelden Barbara Bush. Die deelde gehoorapparaten uit. Zeker de helft van de jongeren had in hun eigen oor het dopje van een iPod.

Gulu loopt over van de ngo’s. Door alle bewegwijzeringen richting hun kantoren zie je die andere, Afrikaanse bush niet meer. Gulu is populair onder rugzakstudenten die graag een half jaar goed doen. ’s Avonds wordt er vol overgave gefrisbeed op het uitgestrekte gazon naast het zwembad van hotel Acholi Inn. Tweemaal zag ik iemand voorbij lopen in een T-shirt met ‘I love Gulu’ – aandenken aan een supergave tijd.

Eenmaal wandelde er een jonge blanke vrouw over straat met op haar neus een zonnebril, in haar hand een flesje cola en op haar rug een zwarte baby, ingesnoerd in een omslagdoek zoals Afrikaanse moeders dat doen. Sommige mensen versieren zichzelf met een online aangeschafte armband van Invisible Children, anderen decoreren zichzelf met een Afrikaanse knuffelbaby.

Bedoel ik nou te zeggen dat de jeugdige hulpverleners in Gulu verantwoordelijk zijn voor de ontzetting over Invisible Children’s ‘Kony 2012 in Lira’? Dat zou te kort door de bocht zijn. Bedoel ik dat ‘de hulp’ niet helpt? Dat is al even kort door de bocht. ‘Kony 2012’ vestigt, wat je er verder ook van vindt, de mondiale aandacht op een militieleider in Afrika. Kom daar als journalist eens om. En verreweg de meeste hulpverleners in Gulu staan niet op de loonlijst van Invisible Children. Hulp helpt bovendien vaak genoeg ook wél – in en om Gulu profiteren Oegandezen van protheses, fietsen en juridische bijstand van buitenlandse ngo’s.

Mijn punt is dat wij, goedbedoelende buitenstaanders, op zijn minst zouden moeten stilstaan bij het beeld dat we in stand houden van onszelf én Afrika – of dat nou is door video’s over Joseph Kony of door het dragen van iPods, T-shirts en zwarte baby’s. Het is het beeld van de blanke reddingshelper in een continent vol zwarte figuranten.

De hippe hulpverleners in Gulu doen qua verschijning denken aan Jason Russell, medeoprichter van Invisible Children die meent dat als Oprah, Steven Spielberg en Bono samen een kind zouden krijgen, „ik dat kind zou zijn”. Maar, eerlijk is eerlijk, de meeste hulpverleners gaan ook weer niet zó ver te claimen dat ze, zoals Russell deed, „het langstlopende conflict in Afrika gaan beëindigen, Kony gaan laten arresteren en internationale gerechtigheid gaan herdefiniëren”.

Oeganda’s onafhankelijke krant Daily Monitor plaatste een stuk waarin de ‘Stop Kony’-video wordt gefileerd als zijnde „onderdeel van de bekende, post-jaren-negentig blanke westerse obsessie met modieuze, feelgood doelen en mensenrechtenkruisvaarderij. Een eenentwintigste-eeuws internet-Woodstock, met in de hoofdrol eenzame, liberale, jonge westerse (blanke) burgers die – nu zij in seculiere maatschappijen leven – de news religion aanhangen van alles doen om de wereld een betere plaats te maken’’.

Deze typering dringt zich evengoed op bij de aanblik van jonge, stop-and-go hulpverleners met iPods, ‘I love Gulu’-shirts en zwarte baby’s op hun ruggen. Ongetwijfeld onbedoeld creëren ze het beeld van wat freelance journalist Edith Tulp dinsdag in de Volkskrant bestempelde als „crisistoeristen” (Tulp runt overigens zelf een ngo die in hetzelfde Gulu actief is). Jason Russell en zijn maten passen uitstekend in dit plaatje, met hun foto uit april 2008 waarop ze poseren met wapens van het Zuid-Soedanese leger.

Het ‘crisistoerisme’ in Gulu bestaat trouwens ook letterlijk. Met reisorganisatie Gulu Tours bezoek je tijdens een ‘Half-Day Gulu Town Tour’ een ziekenhuis waar slachtoffers werden behandeld en een voormalig kamp voor ontheemden. De „highlight” van de trip is een getuigenis van een slachtoffer; ’s avonds is er drank en dans. Vijfentwintig jaar LRA in een halve dag.

Twee maanden geleden sloot VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR haar kantoor in Gulu. Van de 1,84 miljoen ontheemden tijdens het hoogtepunt van de oorlog resteren er 30.000. Twee maanden daarvoor opende de Keniaanse supermarktketen Uchumi haar eerste vestiging in Gulu.

Die gebeurtenissen geven aan welke weg Gulu is ingeslagen: die omhoog. En gelukkig maar. Zo’n supermarkt is fijn voor de Oegandezen – en voor de jonge, getatoeëerde Amerikaanse hulpverlener met zonnebril en zwembroek die ik er bier zag kopen.

Mark Schenkel (34) is journalist. Hij woont in Oeganda.

Nieuwszender Al Jazeera filmde de boze reacties van Noord-Oegandezen op de documentaire Kony2012. Kijk voor de beelden op tinyurl.com/kony2012aljazeera