Tweed, tweed (slot)

Afgelopen dinsdag werd er in de ochtend aangebeld. „Ik heb hier een pakket voor u.” Hoera, dacht ik, daar is mijn tweedjasje uit Londen. Maar toen de man zich meldde bleek het niet voor mij bestemd te zijn, maar voor mijn buren, aan het eind van de gang. „Zo heet ik niet”, zei ik, „mijn naam is Van Straaten”. Of ik het toch maar wilde aannemen en het bonnetje wilde aftekenen. „Van Straaten, zei u? Dan heb ik in de wagen ook een pakket voor u.” Hoera. Mijn jasje. Maar even later zag ik de bestelauto wegrijden.

’s Middags werd er opnieuw aangebeld. En daar was wel degelijk een pakket uit Londen. Met mijn Stanleymes sneed ik het karton voorzichtig open en daar kwam, keurig gevouwen, het tweedjasje tevoorschijn. Daar was het dus. Op het eerste gezicht viel het een beetje tegen. „Nee”, zei ik tegen mezelf, „je moet het zien als je het aanhebt.” Voorzichtig hulde ik mij in het jasje en ging ermee voor de spiegel staan. Grote moedeloosheid overviel me.

„Ja”, mompelde ik tegen de oude man in de spiegel tegenover mij, „een jasje.... Nou, en?” Was ik hiervoor drie keer naar Londen gereisd? Gewoon. Een jasje.

Toen ik een uurtje later met leeftijdgenoten ging biljarten, zoals ik wel vaker doe op dinsdag, was er niemand die zei: „Jonge, jonge, wat heb jij een mooi jasje aan!” Wat ik eigenlijk een beetje gehoopt had. Ik trok het maar snel uit om wat armslag te hebben om een paar mooie stoten te maken.

Toen ik thuiskwam boorde mijn vrouw een beschuldigende vinger in mijn zij. „Je hebt meteen alweer een brandgat.” Ik zag het ook. „Een schroeiplekje”, deed ik luchtig, „er is nauwelijks iets van te zien.”

Maar nu is het dus een oud jasje met een schroeigaatje, waar ik er nog wel meer van heb.