Op zoek naar Ondineke

Wanneer in 1912 Louis Paul Boon ter wereld komt in Aalst, is zijn geboortestad er een van regen en rode dakpannen. Dat is de stad nog steeds, maar asbest en verwaarlozing rukken op. Een zoektocht naar de helden(innen) van Louis Paul Boon.

Ze is een van de meest ambitieuze en zelfzuchtige vrouwen uit de wereldliteratuur: Ondine uit De Kapellekensbaan. Alles heeft ze ervoor over om hogerop te komen in het leven. Maar hoe hard de timmermansdochter het ook probeert, het lukt haar niet om uit de ‘stad van de twee fabrieken’ te ontsnappen. Ondine Bosmans, ‘het bruine haar in twee stijve vlechtjes op de rug’, leefde in het Oost-Vlaamse gehucht Ter-Muren nabij Aalst in ‘tjaar 1800-en-zoveel’. Is Ondine, kleine Ondineke, honderd jaar nadat haar schepper Louis Paul Boon werd geboren, en misschien wel 125 jaar nadat ze er de ‘plechtige communie’ deed, nog in deze omgeving terug te vinden?

Het motregent, als op vrijdag 2 maart 2012 om negen uur ’s morgens de stoptrein van Brussel naar Gent het station van Aalst binnenrijdt. Net als in de middag van 15 maart 1912, als Boon er ter wereld komt. De hele dag zal het grijs en druilerig blijven boven de industriestad, waardoor er geen definitief antwoord komt op de vraag of het hier inderdaad ‘regent, zelfs als de zonne schijnt’. Zo beschreef Boon immers zijn geboortestad in De Kapellekensbaan, dat in 1953 verscheen bij de Nederlandse uitgeverij De Arbeiderspers.

De roman was een gewaagd experiment. Dwars door het (cursief gezette) verhaal van Ondineke lopen twee andere verhaallijnen. Een met de belevenissen van een zekere ‘Boontje’. Hij is de roman over Ondineke aan het schrijven en wordt omringd door vrienden als ‘mossieu colson van tminnesterie’ en ‘de kantieke schoolmeester’.

De derde verhaallijn wordt gevormd door de krantenstukjes van ‘johan janssens’: ze zijn een moderne variant op de verhalen rond Reinaert de Vos. Kern van het verhaal is, aldus Boon zelf, de ‘moeizame opgang van het socialisme’. Het boek was zo vernieuwend en is zo rijk, dat het thuishoort tussen de grootste literaire werken die werden geschreven: Don Quichote, Reis naar het einde van de nacht, Ulysses en de Max Havelaar. Toen Vlaamse en Nederlandse critici in 1997 hun favoriete romans mochten noemen, eindigde Boons boek als derde in de top 85, direct achter de romans van Cervantes en Céline, boven Joyce en Multatuli.

De fotograaf, die ik ontmoet voor het naar Boons heldin vernoemde café Ondineke in de Molenstraat, rijdt ons naar de nabijgelegen kapel van Ter-Muren. Deze kapel speelt een centrale rol in het jonge leven van Ondineke. Bij haar thuis wordt de sleutel van de kapel bewaard. En eenmaal steelt ze het geld uit het offerblok in de kapel. Met de centimes wil ze in Aalst een leren jas kopen voor haar broer.

Als de fotograaf zijn Volvo het terrein rond het kleine kapelletje opdraait, knerpt het grind. Boven het verwaarloosde gebouwtje lopen elektriciteitsleidingen. De bomen zijn geknot. Direct achter de kapel begint het talud van de spoorbaan tussen Erembodegem en Aalst. Hier liep Ondineke, haar broer Valeer met zijn ‘monsterhoofd’ in een bak op houten wielen achter zich aan, rond tussen de goudgele trossen brem. Ze kakte er op het spoor, uit woede om haar armoedig bestaan. Zo vroeg in maart 2012 wil de brem nog niet bloeien. Het lijkt overigens of er tegenwoordig vooral braamstruiken langs het spoor groeien. Tussen de donkere, glimmende takken liggen piepschuim en oude verpakkingsmaterialen.

Bij het betreden van de kapel komt Ondineke ineens heel dichtbij. Boven de deur naar het schip hangt een bordje: ‘Wegens diefstal en vandalisme vanaf heden camerabewaking. Dank voor uw begrip.’ Geen euro’s voor de Ondinekes van 2012. Binnen, rechts van het portretje van Maria met kind, staat het met ijzer beslagen offerblok dat Ondineke met de tang van haar vader openbrak.

Op de achterzijde van de kapel staat het woord ‘fuck’ gespoten. Hier, in de luwte van het gebouwtje, komen sinds jaar en dag overspelige koppels samen, ontdekte een journalist van Knack eens. Ondinekes schoolvriendinnetjes Liza en Maria moeten hier met hun jongens uit de fabriek hebben gevoosd. Even verderop, bij de spoorwegovergang, was ‘herberg de barreel’, waar Ondineke op haar beurt op schoot ging zitten bij Achilles Derenancourt en Ludovic Gourmonprez, de rijke zonen van de fabrieksdirecteuren van respectievelijk de katholieke ‘garenfabriek de filature’ en liberale ‘dekenfabriek de labor’. Het etablissement werd lang geleden gesloopt.

De bareel zelf is ook weg: in 2012 bereik je de overkant van het spoor via een voetgangerstunnel. De ‘Vrije basisschool O.L.V. Termuren Erembodegem’ doet verlaten aan, er is geen door ambitie verteerd meisje te zien. De fotograaf wijst op de bakstenen ‘schouwen’, de schoorstenen van de oude fabrieken, die van hier goed te zien zijn. Dan vind ik een eerste spoor van de eigenzinnige, brutale puber Ondineke van 2012. Op het grind naast de spoorbaan ligt een stuk kauwgom. Zo’n klomp, die als je erop kauwt je gezicht met de malende kaken vanzelf diepe minachting voor de omgeving doet uitstralen. Ze is hier dus geweest.

De ochtend is al even gevorderd als we Vogelenzang 2, Erembodegem in de navigatieapparatuur toetsen. Over het spoor, over de rivier Dender gaat het. De weg loopt iets omhoog en dan, ingeklemd tussen twee huizen, loopt een onverhard pad. Hier kocht Boon in de zomer van 1949 een stukje grond om er zijn ‘Villa Isengrimus’ te laten bouwen, genoemd naar de wolf die zich altijd door Reinaert de Vos op de kop liet zitten. Maar voordat die klaar was, schreef hij in zijn kleine woning in de Verastenstraat, nabij het stadshart van Aalst, aan het traditioneel opgezette Madame Odile en aan het gedurfde ‘illegale boek’, die samen De Kapellekensbaan zouden vormen. De woning is de meest rechtse van een rijtje van vier onaanzienlijke burgermanshuisjes. Nergens is te zien dat Boon er zijn meesterwerk schreef. Een vrouw die komt informeren waarom er foto’s worden gemaakt, zegt ‘nooit eerder’ iemand op boonbedevaart te hebben gezien.

Boon had een afkeer van de vooruitgang, de industrialisering. In De Kapellekensbaan schreef hij over ‘zij die met de machine meehollen naar de afgrond’. Zijn strijd tegen de ‘vooruitgang’ wilde hij niet langer voeren vanuit de stad zelf, maar vanuit het bos nabij, verklaart hoogleraar Kris Humbeeck, de biograaf van Boon, diens verhuizing in een telefoongesprek vooraf. ‘Op deze plek koesterde hij zijn pre-industriële illusie’, aldus Humbeeck.

Villa Isengrimus is na het overlijden van Boons weduwe in 2005 gesloopt en vervangen door een gesloten, op het bos gericht, modern gebouw. Daarom gaan we op zoek naar de nabijgelegen ‘aloude herberg en estaminet Den Jaegher’, waar je het ‘gezellig tikken hoorde van de koperen schijven op de schietbak’, zoals Boon het in een column (een ‘Boontje’) uit 1963 verwoordde. Lukraak bellen we aan bij een huis in de buurt. Freddy Pyck (73) doet open. Hij herinnert zich Boon goed en vertelt dat hij op een Nieuwjaarsdag lang geleden met Boon een stripteaseclub bezocht.

Pyck wijst ons waar De Jager tot voor kort stond: het café is gesloopt. Twee nieuwe appartementen zijn deze week opgeleverd. Een nieuwe bewoonster, Isabelle Vanvaerenbergh (35), weet dat de auteur van De Kapellekensbaan vaak in het café kwam. „Ik heb het uithangbord trouwens nog liggen”, zegt ze en tilt het laatste overblijfsel van het etablissement uit haar schuur.

We rijden terug naar Aalst, via de Kapellekensbaan. Hier liep Ondineke met het gestolen geld voor de leren ‘frak’. ‘Het begin van de lange muur van de dekenfabriek labor beschouwde zij als het begin van een andere wereld… en de grauwe regenhemel, waar de rokende schouwen van de garenfabriek de filature tegen afstaken, beschouwde zij als de hemel van de filature.’

De lange muur van rode bakstenen is het symbool geworden van Boons Aalst. Nu nog wel. Humbeeck vertelde aan de telefoon al dat de muur, op een klein stukje na, gesloopt gaat worden. Nog meer verwoest erfgoed. Aan de overzijde van de Kapellekensbaan komen nog steeds de verschoppelingen van de stad samen: er liggen tientallen lege halveliterblikken Jupiler en Finkbräu.

Via armoedige wijken rijden we terug naar het centrum van Aalst, gedomineerd door de fabriek van Syral, die zijn stoom langs de oude gebouwen blaast. Er werken nog 1.360 arbeiders bij Syral, waar tarwe en maïs wordt verwerkt tot snoepgoed en diervoeder. Fabrieksarbeiders zijn op deze vrijdagmiddag in 2012 niet te herkennen. Vroeger was dat wel anders. Over de fabrieksmeisjes schreef Boon: ‘het licht der kaarsen danste heen en weer over het pluk in hun haren’. Katoenresten toonden de armoede. Als je in 2012 al fysieke effecten van het bestaan van fabrieksarbeider terugziet, zijn het de bloeddoorlopen ogen en verweerde gezichten van veel Aalster mannen. Maar om alcohol te kunnen drinken hoef je geen fabrieksarbeider te zijn.

Het is kwart over vier, de scholen zijn uitgegaan. De scholieren van het ‘handels-, technisch en beroepsonderwijs’ en, even verderop, het atheneum verlaten in grote stromen de gebouwen. Ze hoeven niet langs de ‘baan’ naar Ter-Muren of Erembodegem te lopen. Op deze vrijdag staan de SUV’s aan de overkant van de gedempte Dender te wachten. Vaders en moeders spelen er met hun mobiele apparaten, in afwachting van het kroost.

Alleen een paar jonge stellen blijven achter. De paar uurtjes tussen school en dis worden dankbaar gestolen voor een zoenpartij op de bankjes rond de scholen. Zouden het liefdes zijn die in de carnavalstijd zijn ontloken? Overal in de stad ligt de confetti nog op de grond. In Aalst is geen plaquette op de huizen van Boon te vinden, maar de drijvende kracht achter het Zomercarnaval prijkt fier op een gevel in de Koolstraat. Het is maar waar je je prioriteiten legt.

Een korte zoektocht naar een scholier met dezelfde brutale, ambitieuze blik als Ondineke vormt een passend slot van onze pelgrimage. Waar De Kapellekensbaan in de bakstenen van Aalst straks niet meer terug te vinden zal zijn, zullen de personages van Boon de Aalster straten nog lang bevolken. Dichter bij Ondineke dan een uitgekauwd stuk kauwgom komen we evenwel niet.