Onder smeerlappen naar ‘mossels’, ‘pruimpjes en ‘muisjes’ staren

‘Honderden fotografen hebben dit nagebootst’

Louis Paul Boon verzamelde meisjes en dames. En hij kon er niet genoeg van krijgen. „’s Werelds Most Beautiful Bodies moesten in kaart worden gebracht”. Ruim 25 jaar knipte hij ze vooral uit tijdschriften die smoezelig, obscuur of smerig heetten en nu ‘historisch interessant’. Noem het een vorm van obsessieve lustbeleving. Maar ook een anarchistische kont tegen de krib gooien, tegen datgene wat bij kerk en kapitaal voor fatsoen doorging – hypocrisie dus.

Boon bereikte het record van ruim 22.000 foto’s van meisjes en dames, vanaf de puberteit tot de leeftijd waarop zich een verdwaalde opvlieger kan aandienen. Simpel was dat knippen van die ‘vieze prentjes’ allerminst, het was zelfs een beetje treurig: ‘U [moet] het geduld hebben van de visser, die de hele regenachtige dag onder zijn paraplu naar de dobber kan staren, om dan bij avond huiswaarts te keren en te zeggen: „ze beten niet vandaag”.’

Dat laatste is gezien de omvang van de verzameling flauwekul. Boon had zo vaak beet dat de vangst hem dwong tot een grondige rubricering. De damesmassa viel in een groepjesmassa uiteen en de benaming van die 144 groepjes is gespeend van elke poëzie: ‘Gewaagde straat en avondkleding’, ‘Het ondergoed’, ‘Het losmaken van de kous’, ‘Oorlog der tieten’, ‘Ontbloten en versieren der kont’. Of grofmaziger: ‘De bosjes’, ‘De muis’ en ‘De kut’. Veel categorieën kregen sub-categorieën, zoals daar zijn: ‘Het blonde, het rosse, het bruine en het zwarte bosje’.

Het Letterkundig Museum in Den Haag heeft een fractie van die inmiddels bekende Fenominale Feminatheek in 2004 tentoongesteld. Over bezoekcijfers en type bezoeker is in dit krantenarchief niets terug te vinden. Meulenhoff Manteau wijdde datzelfde jaar een boekje aan Boons erotica en porno, met toelichtingen en fotobijschriften van de verzamelaar (sommige bilpartijen acht hij ‘een maanlandschap waardig’), en dat werd gepresenteerd in een houten kistje van zo’n 22 bij 14 cm. Daaruit at men jaren achtereen in huize Boon eerst de ‘drankpralines’ uit op, om ze vervolgens voor de inventarisatie van ‘het mensdier vrouw’ in te zetten.

Op wat voor meisjes en dames viel de ‘vuile Lowieke’? Zijn het de halfgodinnen waar Rudy Kousbroek, ook een foto-verzamelaar, bij kon wegdromen? Was er een voorkeur voor een haarkleur, zoals het rode haar, waar Kousbroek onherroepelijk voor bezweek?

Nee, Boon viel voor het naakt in heel brede zin: pin-ups, mannequins, filmsterren en eendagsvliegen – het kon niet donderen als er maar erotiek, seks of botweg porno opdook op papier. Blanke lijven zijn het vooral, met een enkele exotische vondst daartussen, zoals een eskimovrouw en een Indiaanse: ‘Men zou er in het oerwoud mee paren, en dan weergekeerd in onze beschaving eens aan terugdenken – een avond vol melancholie, bij het knetterend haardvuur – of men zou het uitflappen (de foto, red.) als men, bij drank, met andere heren smeerlappen onder elkaar is.’

Helemaal naakt hoefde niet altijd, maar er moest wel een stevig decolleté voorhanden zijn. En daar schermden filmsterren als Jayne Mansfield, Gina Lollo, Brigitte Bardot, Sophia Loren en Marilyn Monroe mee in zijn collectie. Ook voor mindere filmsterren was plaats in de bonbondoos: ‘U weet hoe het in de filmwereld ging: er waren steeds nieuwe meisjes, zoals er elk jaar steeds nieuw onkruid komt.’

Oksel en navel waren Boons speciale aandachtsgebieden, evenals de opgetrokken knie. Blader je door het 16de deel van zijn Verzameld werk – ruim 900 bladzijden over zijn ‘hobby’ – dan blijkt dat elke borst, buik en bil, mits welgevormd en uitdagend, als focus gekwalificeerd was. Lingerie (het nachtarsenaal), badpakken, het slipje, de nylonkous, de laars, ‘bloesjes uit Sodom en Gomorra’ – ‘Bezorg de vrouw een lijk en ze legt het rond de hals als een erotisch bijbehoorsel’. Vooral een doorschijnend gekleed naakt, half in het water, vindt hij ‘een van streek brengende truk’.

Graten-dames met dress-stress en een ‘don’t touch me face’, populair op de catwalk, kwamen Boons huis niet in. Ze hebben pakvlees op hun botten, en ze weten het: Ze zijn ‘goedgedraaid, van oren en van poten’, heet dat in het Vlaams. Hijgerige meisjes die zich naast een opgezet wild dier op handen en voeten voortbewegen waren net zo welkom als zij die verwrongen als een Japans bloemstilleven verlegen zaten te zijn.

Toch had hij wel een paar favoriete types: het Lolita-type (slachtoffer van slechte mannen), de vrouw in klederdracht, vandaar die ene geklede en die ene naakte Hollandse boerin (met kap) in het boek, en de mollige Française op laat 19de-eeuwse ansichtkaarten.

Ronduit hilarisch is zijn serie nationale schoonheden uit 28 Europese landen. Of het nu een favoriete buikdanseres is of een aan lager wal geraakte bijrol-actrice, ze krijgen elk een korte biografie, ingebed in ’s lands zeden en gewoonten. Zo joyeus opgeschreven dat zijn ‘betrokkenheid’ je doet schaterlachen. De meeste dames verliest hij na verloop van tijd natuurlijk uit het oog: ‘Hoe het met haar vleespotten is gesteld, durf ik mij niet af te vragen.’

Boon compenseerde de praktische bezwaren van buitenechtelijk plezier ook in wellustig proza. In ‘Het verhaal van Mieke Maaike’s obscene jeugd’ en ‘Zomerdagdroom’, opgenomen in dat 16de Deel, kon hij zijn fantasieën bij het bekijken van al dat zogenaamd wetenschappelijk blootbezit – ongebreideld en oeverloos prijsgeven. De kut – bijgenaamd ‘het splitje’, ‘het pruimpje’, ‘het muisje’, ‘de schede’ en ‘de mossel’ – vliegt je zo baldadig en onvermoeibaar om de oren, dat je deze tekst vooral niet wil afsluiten met een climax, maar met een enkel kuis Boonsiaans citaat: ‘Geen tronen blijven staan/ De legerbenden sneven/ Een mooie vrouw zal niet vergaan.’ En dat zouden meer mannen moeten beseffen.