O dat besneeuwde Trojaanse ravijn

Laatst op een avond sprak ik weer eens met een aantal mensen over het Griekse levens- of tijdsgevoel, dat neer zou komen op het omgekeerde van wat wij voelen: de Griek staat met de rug naar de toekomst en het gezicht naar het verleden. De toekomst komt, ongezien, van achteren, is er dan, als heden, en dan ziet de Griek hem gaan, verleden geworden. Het is eigenlijk logischer dan wat wij ons voorstellen, dat de toekomst van voren komt en dat wij er met onze neus naartoe staan. Want we zien daar immers niet veel, daar voor ons uit in de toekomst.

Het is in het verleden dat de toekomst gemaakt wordt. Alleen weet je vaak niet waar in het verleden te kijken. Pas het gevolg maakt de oorzaak duidelijk.

In Griekse tragedies wordt dat vaak zo schitterend gedaan: het teruggaan naar de dag waarop het lot van een personage beslist werd. O dat besneeuwde Trojaanse ravijn/ in het Idagebergte/ waar koning Priamos eens/ een tere baby wierp zingt Ifigeneia als ze weet te moeten sterven. In dat ravijn werd de baby Paris te vondeling gelegd, de baby die niet omkwam en die later Helena zou schaken, wat gewroken moet worden en om die wraak te kunnen voltrekken moet Ifigeneia geofferd worden.

Niemand wist dat. Niemand wist toen de pijnbomen omgehakt werden op de hellingen van het Idagebergte, om de schepen te bouwen waarmee Paris naar Sparta zou voeren, dat toen, daar een groot ongeluk begon. Er zijn allerlei noodlottige beginnen aan te wijzen.

In zijn roman Geen sterveling weet laat Gerard Koolschijn, vertaler van vele Griekse tragedies, in de terugblik op zijn leven het lot op allerlei momenten een onomkeerbare wending nemen. Schitterend is vooral het begin van het boek, waarin hij zijn ouders beziet als de kinderen die ze ooit waren, zo ver van elkaar, een klein meisje in Nederlands-Indië, en een jongen in Den Haag met een al te grote belangstelling voor godsdienst. Zo ver uiteen zijn ze, zo niets hebben ze met elkaar te maken – maar daar voert het schip haar vanuit de tropen naar „het land van de Elfstedentocht”, daar wacht hij.

Koolschijn lijkt zijn moeder vanuit de verre toekomst nog toe te roepen: doe het niet! Trouw hem niet! Maar alleen al het feit dat hij het is die roept, de zoon uit dat huwelijk, maakt zijn roepen evident machteloos. En om die machteloosheid gaat het hem ook.

„Geen sterveling weet wat hem heeft gemaakt, geen kind wat het te wachten staat” is de langere versie van de titel. Dat lijkt op wat W.F. Hermans schreef in Nooit meer slapen: „Niemand hoeft zich te verwijten dat hij in den blinde leeft”. Hermans’ hoofdpersoon komt tot het inzicht dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt. Maar er is geen mogelijkheid om je leven over te doen. Het is geen experiment. Je kunt niet terug naar het punt dat de beslissing nog niet heeft plaatsgevonden en dan een andere keus maken. Pas nu we in de toen onzichtbare toekomst verkeren, blijkt wat de gevolgen zijn van onze en andermans handelingen.

Het zal wel daarom zijn dat we houden van dramatische ironie, de vertelvorm waarbij de toeschouwer of de lezer meer weet dan de personages. Ineens ken je de toekomst wel, en zie je hoe die ontlopen zou kunnen worden, in een volkomen irreële wereld uiteraard, want je zegt al bijna iets fundamenteel tegenstrijdigs als: „O waren mijn ouders maar niet bij elkaar gekomen. Wat zou mij dan een hoop ellende bespaard zijn gebleven!”

Een groot deel van onze tijd zijn we bezig met pogingen om de toekomst te voorspellen. We gebruiken daarbij ook graag die alwetende vertelvorm, alsof we al voor de gevolgen (geheel) zichtbaar zijn, weten ‘hoe het afloopt’.

Wat zijn we toch een verhalenvertellers. Zonder verhaal kunnen we bijna niets begrijpen. We brengen van alles met elkaar in verband, wijzen oorzaken en cruciale gebeurtenissen aan: daar, toen, zijn we aan de dood ontsnapt, hebben we iemand in het ongeluk gestort, daar, op dat moment, begon de toekomst.

„Wie weet geen plein of straat waar hij anders had moeten beslissen?”, schrijft Koolschijn.

Ik dacht erover na. Ik weet zo’n plein of straat eigenlijk niet. In mijn leven heeft zich de cruciale gebeurtenis blijkbaar niet voorgedaan. Er is van alles gebeurd, soms ten goede, soms ten slechte. Had ik ooit anders moeten beslissen? Zeker wel. Maar had ik ooit anders kunnen beslissen?

Je wordt er altijd een beetje duizelig van, van het idee dat de toekomst ook anders had kunnen zijn. Want hij had niet anders kunnen zijn, want hij is niet anders. Maar op dat denkbeeldige punt in het verleden, dat punt waar we aldoor naar staan te staren, zoekend om te begrijpen wat zich achter onze rug zal afspelen, daar was je vrij om het anders te doen.

Toch?