Mensen zijn gemaakt om langs elkaar heen te leven

De katholieke kritiek dacht bij Abel Gholaerts (1944) met de duivel van doen te hebben. Misschien hadden ze gelijk: wat een boek!

Moet een mens terug willen naar de boeken die hem op zijn 15de van de sokken bliezen? Terug, in dit geval, naar Paddenhoek – de plaats waar Abel Gholaerts opgroeit, de held van de tweede roman van Louis Paul Boon? Het is het boek waarin de 32-jarige schrijver het leven van Vincent van Gogh wilde vangen. Vergeefs. De roman ging veel meer om ‘mijn eigen triestige jeugd’, zei Boon later.

Wat ik nog wist: dat Paddenhoek (hoe kan het anders) een treurig stemmend oord was en dat Abel het kind was van de onderpastoor – dat moest wegens de analogie met de domineeszoon Van Gogh. Dat Abels afkomst in de roman wordt verhuld, wat Willem Elsschot ertoe bracht zijn jonge vriend Boon lafheid te verwijten. En dat Abel mooi tekende.

Wat blijkt? Eerst het overdonderende tempo van de roman. In een paar pagina’s wordt Vincent van Geem geportretteerd. Deze zoon van een boekhandelaar (‘hij is te stil, te eigenwijs, ‘hij is gesloten en duister als een bosch’) wordt als onderpastoor geparkeerd in het onooglijke Paddenhoek. Al onderweg ontmoet hij de fragiele Anna Kindermans. Ze ziet eruit als een kind: Boons voorkeur voor het kindvrouwtje steekt een paar maal in de roman de kop op.

Snel en prachtig zet Boon het troosteloze Paddenhoek in de verf: de oude Theo Kindermans, die naar de onderpastoor trekt om zijn boeken te lenen; de weduwe Gholaerts ‘die meer in de kerk dan in haar winkelken is. In haar winkelken kan men haar bestelen, bedriegen, dood maken. In de kerk niet’; de goddeloze familie Lindekens met hun ook voor Vincent verleidelijke dochters en Germain Gholaerts: een bijziende en manke kleermaker die in zijn gedachten romans schrijft. Deze Germain wordt door Anna Kindermans plotseling tot een huwelijk verleid in een paar prachtzinnen: ‘Een tijd later roept ze Germain die voorbij hinkt. Germain komt ge niet eens vanavond? Germain is op slag zo zot als een musch.’ Acht maanden later wordt Abel Gholaerts geboren, die als twee druppels water op de onderpastoor lijkt.

Abel Gholaerts blijkt bij tweede lezing nog veel indrukwekkender en onthutsender dan een kwart eeuw geleden. Waar in de eerste pagina’s van de roman nog sprake is van verlangens en ambitie, verdwijnen die in het vervolg volledig. In de modder van Paddenhoek zakt iedereen weg. Want hier zijn wel mensen, maar ze zijn nooit in staat zich tot elkaar te verhouden. Alle vormen van verbondenheid lopen stuk op conventies, verlegenheid, ziekte of pech. Boon tekent het triest en kalm op: handen die elkaar net niet raken, afgewende blikken, wanhopigen die ver weg de weilanden inlopen. De roman is een keten van ontgoochelingen die zich eindeloos aaneenrijgen.

Hoe verder het boek vordert, hoe moeilijker het wordt om met droge ogen over Vincent van Geem (inmiddels pastoor) te lezen. Hij heeft niemand om een verstandig woord mee te wisselen, van binnen wordt hij verteerd door zijn liefde voor Anna; hij leeft voor zijn zoon, die hij zijn zoon niet mag noemen. Later gaat Abel op kostschool, nog later vertrekt hij naar de stad. De stenen in de kerkvloer worden warm van de gebeden van de pastoor. De man die voor de zielen van het dorp zo moeten zorgen is de meest radeloze van allemaal.

De appel is niet ver van de boom gevallen. Abel is een zwak (‘een vogelken voor de kat’, zegt men als hij een baby is) en triest kind: verlegen en gepijnigd door grote verlangens waar hij geen weg mee weet. Hij haakt naar iets hogers dat hij niet begrijpt en niet te pakken kan krijgen. Op zijn twaalfde loopt hij weg, op zijn vijftiende springt hij bijna van de trap van de kostschool. Als jongeman doolt hij waanzinnig door de de stad en zwerft hij in pij door Paddenhoek. Steeds weer pint Boon zijn lezers vast op de moraal van zijn verhaal: mensen zijn gemaakt om langs elkaar heen te leven en daar heel ongelukkig van te worden.

Het meest exuberante ongeluk is dat van Germain Gholaerts, die zich in een met huiveringwekkende vanzelfsprekendheid beschreven scène op het kerkhof aan een misdienaartje vergrijpt: ‘Het wordt morgen, de kinderen gaan naar school, de kleine misdienaar ook. Germain loert van achter zijn kruisen en roept hem. Het manneken gaat naar Germain.’

Het levert Germain enkele jaren gevangenis op. Na zijn terugkeer verwekt hij zelf twee kinderen bij Anna en schrijft hij die roman waarvan hij altijd droomde. Even biedt Boon de arme sukkelaar hoop: ‘Hij betast de bladzijden, hij duwt en perst ze samen. Zoo dik zal het zijn als het gedrukt wordt, zegt hij. En hij weent, ja, hij weent van geluk.’ Maar dan, meteen erna, wrang-humoristisch: ‘Oh, geluk is het precies niet. Het is veel ingewikkelder.’

De kritieken op De edele pastoor van Paddenhoek, zoals Germains boek heet, zullen vernietigend zijn. Vernietigende kritieken, die kreeg Abel Gholaerts ook na verschijning in 1944. Eerst nog van de nationaal-socialistische kritiek (‘een schimmelplant’; ‘Dergelijke romans doen mij snakken naar […] een grooten brandstapel’) en na de bevrijding was de katholieke pers bijna nog harder over deze ‘gruwelijkheid en mottigheid’. Zoveel zinloosheid en misantropie in een roman waarin zelfs het waterigste zonnetje niet wilde schijnen – dat moest haast wel van de duivel komen.

De duivel is misschien niet eens het verkeerde woord. Want zoals de doem van Paddenhoek alle bewoners de modder inzuigt, zo laat Boon ons niet meer los. Hoe ontgoochelend de leeservaring ook is, hoe ellendig je je er ook van gaat voelen, je moet, gaat en wil dóór. Want als de personages van een roman elkaar in hulpeloosheid zo consequent in de steek laten, zit er voor de lezer maar één ding op: heel dicht bij ze in de buurt blijven.

Louis Paul Boon: Abel Gholaerts. Verzameld Werk Deel 2. De Arbeiderspers (2008), 504 blz. € 24,95