Lentemoment

Vijf dagen voor het begin van de lente was het gisteren al lente – reden genoeg om alle trossen los te gooien. Mijn oude buurvrouw, de hele winter onzichtbaar, zat opeens weer roerloos op haar balkonnetje, het gezicht naar de zon geheven. Ze had het overleefd. Mijn bovenbuurman, druk bezig met het verpotten van zijn planten, stortte opgewekt wat zandkluiten en afgestorven blaadjes op onze hoofden. Beneden begonnen de twee kippetjes, nieuwe flatbewoners, tevreden te tokken. Zelf haalden we de beschermhoezen van de balkonstoelen.

Wat kon er nog misgaan in deze levens? Weinig, al bleef het genoeg.

Op straat was je een fossiel als je je winterjas had aangehouden. Ik koos weer voor het veilige midden: een jack met wollen sjaal die snel begon te prikken van de warmte. Om mij heen zinderde de stad van levenslust, een terras aan de Rozengracht was afgeladen, hoewel de bezoekers er meer benzinedampen dan lentegeuren opsnoven. Maar wat kon het schelen? Vandaag waren we opgehouden met klagen, opeens wist je weer wat je al die tijd gemist had.

Ik liep langs een kade in Amsterdam-West, waar het zonlicht lelijkheid en verval gemoedelijk retoucheerde. Ik stak de straat over en begon langs de gevels te lopen. Hier en daar stond iemand in de deuropening wat zon te vangen.

In een schraal voortuintje zaten twee jongens van een jaar of zeventien op een witgeverfd bankje. Een derde jongen hield hen, gezeten op een scooter, lachend gezelschap. Het tuintje ging naadloos over in het trottoir. De jongens zaten erbij alsof deze tuin hun domicilie was waar ze dit jaar de lente zouden doorbrengen, liefst van de vroege ochtend tot de late avond. Veel lachen en praten, over Ajax, meiden en school.

Lekker bankje, zon in het gezicht, mooi uitzicht over het water – wie deed hun wat?

Toen kwam er een stevige vrouw van middelbare leeftijd naar buiten gestiefeld. Haar rug was recht, haar blik waakzaam. „Zo heren, ik zie dat jullie bezit hebben genomen van mijn tuintje?”

De toon was vervuld van milde ironie, maar wél het type ironie dat zich het recht heeft voorbehouden om in venijn door te schieten.

„Hahajaja”, lachmompelden de jongens, niet helemaal zeker van hun zaak. De vrouw knikte. „Een relaxte loungeplek voor jullie, ik zie het. Ik vind het prima, als jullie er maar geen rotzooi van maken. Afgesproken?”

„Hahajaja.”

Op dat moment slenterden twee politieagenten langs, op die ongedwongen wijze waaraan je de Amsterdamse politieagent kunt herkennen. Ze liepen door, maar keken achterom naar het tafereel om te zien of hun tussenkomst gewenst was.

Een interessant lentemoment. De zon gaf ons vrijheid en blijheid, maar er waren altijd grenzen. Van iemands voortuintje bijvoorbeeld, zeker in Amsterdam-West een felbegeerd bezit.

De vrouw keek ook naar de politieagenten. Daar liep de mogelijkheid om onmiddellijk en met harde hand een einde te laten maken aan deze tuinvredebreuk. Wég met die jongens die zomaar, zonder haar toestemming, in haar tuintje waren gaan zitten. Daar moest je geen clementie mee hebben. Paal en perk, wat zouden we nou krijgen.

Ze keek nog eens naar de jongens, terwijl de agenten langzaam doorliepen. „Dus dat is afgesproken?” vroeg ze weer.

„Hahajaja.”

„Goed zo.” Ze draaide zich van hen af en schoot weer haar huis in.

De lente had gewonnen.