Lelijke blunders bij de Papoea’s

F. Springer moet zich een soort Multatuli hebben gevoeld toen hij zijn nu postuum uitgegeven debuut schreef.

Springer in de Baliemvallei in 1961 Foto erven F. Springer

F. Springer: Met stille trom. Een journaal. Querido, 235 blz. € 19,95

Het komt niet vaak voor dat het romandebuut van een gerenommeerd schrijver postuum wordt gepubliceerd, maar Met Stille Trom de eersteling van F. Springer uit 1962 is pas nu, ruim drie maanden na zijn dood, verschenen. Het boek is een verslag van de laatste stuiptrekkingen van het Nederlands kolonialisme in Nieuw-Guinea, waar Springer, pseudoniem van Carel Jan Schneider, van 1958 tot 1962 een tamelijk naïeve bestuursambtenaar was. Terwijl de hele wereld wist dat Nieuw-Guinea onvermijdelijk overgedragen zou worden aan Indonesië, droomde de jonge Controleur van Waneda nog van een ambtelijke carrière op het eiland die tot in lengte van dagen zou voortduren. In 1962 werd hij tijdens zijn verlof in Europa overvallen door het bericht dat hij zijn beschavingsarbeid onder de Papoea’s niet kon voortzetten, omdat er aan het Nederlandse gezag een einde was gekomen.

De verongelijkte Schneider moet zich een soort Multatuli gevoeld hebben toen hij besloot zijn ervaringen als bestuursambtenaar nog tijdens die verlofperiode te boek te stellen. In zestien ochtenden schreef hij over zijn laatste zes maanden in het binnenland van Nieuw-Guinea de roman Met stille trom waarin alle figuren die hij opvoerde naar het leven getekend waren. De Resident van Hollandia, de gouvernementsarts, de Amerikaanse antropoloog die door Schneider werd tegengewerkt figureren allemaal herkenbaar in deze roman. Maar Multatuli’s moed ontbrak Schneider, want hij zag er indertijd op het laatste moment van af zijn in romanvorm gegoten ervaringen te publiceren.

In de inleiding bij de uitgave die er nu ligt, gedateerd juli 2011, beschrijft Springer hoe hij in 1963 de drukproeven van Met stille trom van uitgeverij Stols terugkocht om publicatie te voorkomen. Hij vreesde dat degenen ‘die in de bergen mijn vrienden en collega’s waren geweest, en die zichzelf zonder moeite ogenblikkelijk zouden herkennen […] zich nu, na het verdrietige einde van Nederlands Nieuw-Guinea door mij belachelijk gemaakt konden voelen.’

En daar zou hij wel eens gelijk in gehad kunnen hebben. Een diplomatieke carrière had hij waarschijnlijk wel kunnen vergeten, al is de roman allerminst een aanklacht à la Max Havelaar. Hoewel zijn hoofdpersoon, de Controleur van Waneda (in het boek Zakar) Dekker heet, lijkt deze steunpilaar van het Nederlandse Gouvernement in niets op de assistent-resident van Lebak, Eduard Douwes Dekker.

De 32-jarige Leen Dekker in Met stille trom lijkt meer op Carel Jan Schneider, die in begin 1961 de in opspraak geraakte Rolph Gonsalves opvolgde in het Oostelijk Bergland, waar hij als Controleur in de Baliemvallei de rust moest bewaren tussen de elkaar bestrijdende Papoea-stammen. Al in de eerste zin van Met stille trom wordt de latere procureur-generaal Gonsalves onder de naam Brandsen opgevoerd als een zachtaardige man die ‘lelijk geblunderd’ had door, waar iedereen bijstond, een Papoea met een slag van zijn wandelstok de onderarm te breken. In werkelijkheid is Gonsalves beticht van ergere zaken: hij schoot eigenhandig ten minste twee Papoea’s dood.

De resident van Hollandia, Eibrink Jansen, liet een onderzoek naar Gonsalves instellen door Schneider. In diens rapportage legden twee personen belastende verklaringen af, en ook de zending en missie maakten bezwaar tegen Gonsalves’ optreden. Uiteindelijk werd hij overgeplaatst, maar de strafzaak tegen hem werd geseponeerd omdat hij ‘overspannen’ zou zijn geweest. In de roman noemt Dekker ‘de rel’ over de blunder van Brandsen aangedikt. Men vergeet ‘dat bestuursambtenaren op eenzame posten soms met grote moeite hun zelfbeheersing kunnen bewaren als ze een paar jaar moederziel alleen tussen de zwarte naaktlopers zitten.’

Veel van de avonturen van controleur Schneider in de Baliemvallei heeft Springer later verwerkt in Zaken overzee (1977). Daarin vertelt hij hoe hij en zijn collega’s tot het einde minister van Buitenlandse Zaken Luns bleven geloven dat Nederland Nieuw-Guinea niet prijs zou geven. Ze bleven hun poppenkast over het pacificeren van Papoea-stammen opvoeren, waarbij ze gestoord werden door een Amerikaanse antropoloog die het waagde kritiek te uiten op het Nederlandse kolonialisme.

Diezelfde antropoloog, in werkelijkheid Karl Heider, leider van een beroemde expeditie van Harvard University, werd door Schneider zo hinderlijk voor de voeten gelopen dat er klachten over kwamen bij het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. In de roman beschrijft Springer dat een naaste medewerker van Controleur Dekker de antropoloog half dood slaat, nadat deze hem van Gonsalves-achtige daden had beticht. Ook krijgt de Amerikaanse professor de schuld als de naïeve Dekker zich in een hinderlaag laat lokken en getroffen wordt door een Papoea-pijl.

Qua toonzetting, ambtelijk taalgebruik en het voor schut zetten van naaste collega’s doet Met stille trom denken aan Het Bureau van Voskuil, maar zonder diens humor. Anders dan Voskuil geloofde Springer heilig in zijn werk, waardoor iedere zelfrelativering ontbreekt. De kunst van de ironie zou Springer pas later ontwikkelen. Met stille trom is te zeer een apologie om een goede roman te kunnen zijn, maar onthullend zijn de indianenverhalen over ‘pacificatie’ van de Papoea’s door een stel Nederlandse lomperiken wel.