Hoe word je een postmoderne Chinees?

Een Nederlandse architect in China moet veel afleren. En hij moet lol hebben in gevelarchitectuur.

Shunfeng hoofdkantoor in aanbouw Foto’s uit besproken boek

John van de Water/Next Architects: Je kunt China niet veranderen, China verandert jou. Uitgeverij 010, 256 blz. €24,50

‘Maybe’ of ‘problem in China’ kreeg John van de Water van Next Architects in China vaak als antwoord op een voorstel. Het duurde enige tijd voor hij wist dat het eerste ‘nee’ betekent en het tweede ‘beslist niet’. Er waren nog veel meer dingen die hij moest leren, zo blijkt uit Je kunt China niet veranderen, China verandert jou over zijn werk als architect in China. Bij zaken doen in China horen bijvoorbeeld uitgebreide lunches en diners. Die verstevigen de persoonlijke band tussen opdrachtgever en architect en dat maakt de kans groter om een gebouw van de grond te krijgen.

Next Architects uit Amsterdam is een van de ongeveer dertig Nederlandse architectenbureaus die in China werken. Maar anders dan de meeste Nederlandse architecten vestigde Van de Water zich in 2004 permanent in Beijng – de andere drie Next Architects bleven wel in Amsterdam. In Beijing werkt Next Architects samen met een groot Chinees bureau, Huan Yang Architects.

In Je kunt China niet veranderen.... vertelt Van de Water, vaak in dialoogvorm, sappige verhalen over zijn ervaringen in China. Zo is hij koud in China of een baas van Huan Yang vraagt hem een ontwerp van een Spaans architectenbureau te presenteren aan een opdrachtgever. Hoewel hij er niets over weet, doet hij het. Uiteindelijk hoeft hij bij de presentatie helemaal niets te zeggen. De aanwezigheid van een Europeaan die voor een moderne Spaanse architect kan doorgaan is voldoende.

Maar het boek ontstijgt de anekdotiek. Van de Water wil China en zijn cultuur doorgronden. Hij praat met zijn buurman over het confucianisme, neemt Chinese les, reist door heel het land en leest over de geschiedenis van China. Hij komt erachter dat dat de globalisering maar beperkte invloed heeft in China. De introductie van het kapitalisme in het communistische China mag dan hebben geleid tot metamorfoses van vissersdorpjes in metropolen als Shenzhen die op het eerste gezicht sprekend lijken op nieuwe steden elders in de wereld, in China gaat nog steeds veel anders dan in het Westen: ‘Achter het vaak uitwisselbare beeld, gingen maar al te vaak verschillende betekenissen schuil.’

Zo blijkt feng shui, de oude Chinese leer over de inrichting van de omgeving, onmogelijk te negeren voor een architect. Die moet rekening houden met bijvoorbeeld de mogelijke onderaardse aanwezigheid van de geest van een draak. Daar staat tegenover dat de bouw in China veel sneller gaat dan in Nederland. Soms moet een ontwerp voor een gebouw in twee weken klaar zijn, en blijft het lang onzeker of het nu een kantoor wordt of woontoren. Maar één ding is zeker: binnen negen maanden is het voltooid.

Van Nederlandse architecten in China heeft Van de Water begrepen dat de uitvoering van hun ontwerp vaak slecht is en dat hun rol uiteindelijk beperkt blijft tot die van gevelontwerper. Voor alles probeert Van de Water dit te voorkomen. Dat lukt lang niet altijd. Als hij bij het ontwerp van een groot woongebouw bijvoorbeeld voorstelt om op het op een andere manier aan te laten sluiten bij de oude, bestaande bebouwing, merkt hij dat niemand in China hier voor voelt. Chinezen mogen dan trots zijn op hun geschiedenis die veel ouder is dan die van Europa, als het om woningbouw gaat, zijn ze helemaal niet geïnteresseerd in het verleden. Oude huizen zien ze als aftandse troep die zo gauw mogelijk moet worden opgeruimd om plaats te maken voor woontorens en kantoren van beton, staal en glas.

Uiteindelijk is Je kunt China niet veranderen.... vooral een fascinerend verslag van een aanpassing. Veel van wat Van de Water in Nederland heeft geleerd, moet hij afleren. In China blijkt een ontwerp bijvoorbeeld niet één onlosmakelijk geheel van interieur en exterieur, maar bestaat het uit losse onderdelen die naar believen kunnen worden veranderd. Het gaat de Chinezen vooral om het beeld van het exterieur.

Voor de gemiddelde moderne Nederlandse architect is dit vloeken in de kerk. In het begin kost het Van de Water dan ook moeite om zijn ‘conceptuele’ benadering van architectuur los te laten. Maar in de loop van de jaren gaat hij inzien dat de ‘postmoderne’ manier van ontwerpen misschien wel het beste past bij China en begint hij zelfs lol te krijgen in het ontwerpen van gevels. Na zes jaar werken in China is Van de Water een halve postmoderne Chinees geworden.