Het project Amerika is gedoemd

Een holle elite en een amoreel proletariaat vernietigen Amerika, betoogt Charles Murray. Maar kijkt hij wel goed om zich heen?

United States, New York City, Manhattan, Midtown, New York Palace hotel, penthouse Triplex Suite with a view on Madison avenue and the Saint Patrick cathedral, 455 Madison Avenue and 51th street hemis.fr

Charles Murray: Coming apart. The State of White America, 1960-2010. Crown Forum. 306 blz. € 20,50

Charles Murray houdt niet van tatoeages. Die afkeer deelt hij vermoedelijk met veel lezers van deze krant, mijzelf incluis. Maar terwijl veel van die lezers zullen opmerken dat mensen zelf maar moeten weten of ze aan zelfverminking willen doen of niet, neemt Murray daar geen genoegen mee. Hij hekelt het nonjudgmentalism van een denkende elite. En hij vindt het een voorbeeld van de ‘proletarisering van de dominante minderheid’ dat iets dat traditioneel een merkteken van het proletariaat was, nu chique is geworden.

De auteur, als politicoloog verbonden aan het American Enterprise Institute, de invloedrijke conservatieve denktank waarvan ook Ayaan Hirsi Ali en Newt Gingrich deel uitmaken, schetst in zijn boek hoe de Amerikaanse samenleving uiteen valt – niet langs raciale of etnische lijnen maar langs lijnen van klasse.

‘Het Amerikaanse project’ is een vorm van civiele religie die uitging van Amerika’s uitzonderlijkheid de overtuiging ‘dat mensen als individuen en families vrij moeten zijn om hun leven te leiden zoals zij dat willen en samen te komen om vrijwillig hun gezamenlijke problemen op te lossen’. Maar in een halve eeuw tijd, met de moord op John F. Kennedy als begin, is Amerika aan het desintegreren. Het is een samenleving aan het worden van twee culturen die in verschillende mate minder met de founding virtues van het land te maken hebben.

Murray heeft het dan niet over de veelbesproken 99% en de 1% die door Obama, misschien, fiscaal aangepakt gaat worden. Hij beschrijft de evolutie in het waardenpatroon van de bovenste 20% van het land, gerekend naar inkomen en opleiding en woonachtig in een door hem gebruikte sociale constructie die hij Belmont noemt. Maar ook de evolutie van de onderste dertig procent, woonachtig in een imaginair Fishtown dat grote overeenkomsten vertoont met de wijk van die naam in Philadelphia. Tussen de ‘steden’ constateert Murray een groeiende kloof, ook in geografische zin, en deze scheiding zal ‘een einde zal maken aan wat Amerika Amerika gemaakt heeft.’

Murray heeft het nadrukkelijk over blank Amerika. Een van zijn vorige boeken, samen met Richard Herrnstein schreef hij The Bell Curve, veroorzaakte in 1994 grote opschudding. Het deed een jonge burgerrechten-advocaat uit Chicago concluderen dat ‘blank Amerika klaar is om terug te keren naar een goed ouderwets racisme zolang het maar kunstig verpakt is.’ De naam van de advocaat: Barack Obama.

Misleidend

Over dit nieuwe boek heeft zo ongeveer elke columnist al zijn mening gegeven. David Brooks meldde al in januari dat Coming Apart het belangrijkste boek van 2012 zou blijken te zijn. Maar de Nobelprijs-winnende econoom Paul Krugman noemde het knorrig een nieuwe misleidende, conservatieve poging om aan te tonen dat Amerika’s problemen ‘ineens niet meer rondom geld draaien, maar om moraal’.

De auteur geniet, in dit nieuwe boek, merkbaar van zijn status als provocerende outcast in academische kringen, zelfs in die mate dat hij geen namen prijsgeeft van degenen die hem bij het schrijven geholpen hebben ‘want genoemd worden in mijn verantwoording kan hen in moeilijkheden brengen in academia.’

Murray onderbouwt zijn bevindingen met een enorme hoeveelheid statistieken en grafieken die het boek een wetenschappelijk aanzien moeten geven. Maar voor deze kwalificatie zijn zijn uitgangspunten te subjectief. Zo noemt hij vier specifieke deugden, de ‘founding virtues’ die historisch de ‘Amerikaansheid’ hebben bepaald: arbeidzaamheid, eerlijkheid, huwelijk en godsdienst. Maar als rechtvaardiging voor die keuze noemt hij alleen wat uitspraken van de Founding Fathers. De geldigheid van zijn aannames lijkt me twijfelachtig, hoewel je bijvoorbeeld niet in God hoeft te geloven om te constateren dat met name in het Zuiden van de VS de kerk aanzienlijk bijdraagt aan wat we ‘sociaal kapitaal’ zijn gaan noemen.

Hoe het zij, terwijl in Belmont deze vier waarden grosso modo nog steeds worden aangehangen, zijn ze in Fishtown ernstig aan slijtage onderhevig. De Fishtowners hebben steeds vaker buitenechtelijke kinderen, zijn te dik, brengen te veel tijd door voor de tv, gaan steeds minder vaak naar een kerk, zijn steeds vaker crimineel en minder vaak lid van een vereniging. Maar vooral: hun arbeidsethos is schrikbarend gedaald, met als gevolg dat het verschil tussen het percentage werkende Belmonters en werkende Fishtowners in die halve eeuw ruim verdubbeld is. Tsja, en dat terwijl wij allen weten dat in Amerika op alle niveaus de prachtigste banen voor het opscheppen liggen. Wil Murray dat nu serieus beweren?

Om met de socioloog Arie den Hollander te spreken: de gewone ervaring leert al anders. Want waar komt dan dat werkloosheidspercentage van omstreeks 10 vandaan? Wat doen al die mannen dan, de laatste tien, vijftien jaar, aan de rand van autowegen met kartonnen borden in de hand waarop geschreven staat will work for food?

Murray negeert de immense veranderingen die zich de afgelopen decennia op de arbeidsmarkt hebben voorgedaan en die zijn statistieken ernstig vervuilen: het verdwijnen van miljoenen banen naar lagelonenlanden, de oorlog van ondernemers tegen de vakbonden, de vervanging van vaste banen door werk op contractbasis zonder verzekering of oudedagsvoorziening, de daling, door Paul Krugman becijferd, met 23% in veertig jaar van de salarissen van beginnende werknemers op high school-niveau.

Waarom vindt Murray het zo alarmerend wat hij schetst? Uiteindelijk komt het neer op een subjectieve mate van ‘geluksbeleving’ die gebaseerd is op vier pijlers: familie, beroep, gemeenschap en geloof. Zowel in Fishtown als onder de slanke, gezond etende en goed verdienende Belmonters blijkt die geluksbeleving hoog gerelateerd aan die vier pijlers. En het is in dit verband dat Murray zijn betoog verlegt naar Europa, dat wel op sterven na dood lijkt.

Kwaad

In Europa gaan mensen nog minder vaak ter kerke, treden ze nog minder vaak in de echt, en uiteraard komt ook hij weer met het vertrouwde conservatieve geschamper over onze korte werkweken en lange vakanties. Het idee van werk als zelfverwezenlijking is aan het verdwijnen, zo schrijft hij uit de losse pols, ‘het idee van werk als een noodzakelijk kwaad domineert’.

Zoiets kun je makkelijk schrijven als huiskamergeleerde, goed betaald door een denktank. Maar zowel in Europa als de VS moeten er nog altijd tankers worden schoongemaakt, demente bejaarden worden gewassen, kantoren geboend. Dat mensen die dit werk doen hun zelfverwezenlijking eerder zoeken in sportbeleving, muziek maken of desnoods postzegels verzamelen is iets dat niemand zou mogen verontrusten, ook Murray niet.

Toch zou het boek onrecht worden gedaan door bij de bespreking ervan in de klassieke liberal reflex te schieten – Coming apart is prikkelend genoeg. Zonder het met Murrays morele opvattingen eens te zijn, kan men gerust concluderen dat de sociale verandering in Amerika’s ‘onderklasse’ soms onrustbarende vormen aanneemt. Hun onvrede met het bestaan kan gemakkelijk een bron voor racisme en op ressentiment gebaseerde politieke stromingen vormen. En de somber stemmende erosie van de gemeenschapszin (door de socioloog Robert Putnam veel indringender beschreven in Bowling Alone) valt nauwelijks te ontkennen.

Murray noemt zichzelf een libertarian, een vrijdenker en dat brengt met zich mee dat hij zich ook kwaad maakt over de groeiende inkomensongelijkheid in zijn land en de destructieve gevolgen daarvan voor de economie, alsmede over het exhibitionistische uitgavenpatroon dat de superrijken erop na houden, al houdt hij zich verre van de suggestie dat een overheid in deze ontwikkelingen zou moeten ingrijpen. Het ontstaan van een ‘holle elite’ baart hem zorgen omdat die er evenzeer voor zorgt dat ‘het Amerikaanse project gedoemd is.’