Goldman Sachs als kop van Jut

Zelden heeft een ontslagbrief zoveel ophef veroorzaakt als die van Greg Smith, inmiddels ex-werknemer van de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs. Smith hekelt in de brief, die The New York Times eergisteren publiceerde, de giftige cultuur bij de bank, waar het eigenbelang voorop staat en cliënten door zouden gaan voor ‘Muppets’.

De boodschap kwam hard aan. Dat heeft te maken met de nasleep van de kredietcrisis, het zakenbankieren in het algemeen en Goldman Sachs in het bijzonder. De woede over de kredietcrisis is nog lang niet over. En terecht. Deze episode in de recente geschiedenis is daar te ingrijpend voor en de gevolgen voor de economie en de overheidsfinanciën zijn voor de burger nog steeds voelbaar. Bovendien bestaat de indruk dat de financiële sector zelf er te goed mee is weg gekomen.

Veel bezwaren tegen de ontwikkelingen van de afgelopen twintig jaar komen hier samen: de gegroeide inkomensverschillen, met name in de VS, de uit de hand gelopen liberalisering, falend toezicht en het sterk gestegen aandeel van de financiële sector in economie, samenleving en politiek.

Zakenbanken zijn de kop van Jut, en Goldman Sachs is hét symbool. Zeker sinds het tijdschrift Rolling Stone deze bank tijdens de kredietcrisis bestempelde als een „gigantische vampierinktvis, gevouwen rond het gezicht van de mensheid” en de talloze personele verbanden tussen de bank en de Amerikaanse overheid nog eens opsomde. Europa herinnert zich de deal die de bank voor Griekenland regelde en tot gevolg had dat het begrotingstekort werd verhuld tijdens de toetreding tot de euro. En anderhalf jaar geleden schikte Goldman Sachs, zonder overigens schuld te bekennen, voor een half miljard dollar in een zaak waarin de bank ervan werd beschuldigd klanten te hebben benadeeld. Goldman is nu, om het Amerikaans te zeggen, the bank you love to hate.

Maar enige nuance is op zijn plaats. De bank is de enige niet. Het streven naar – welbegrepen – eigenbelang is immers de motor van ons kapitalisme. De klanten in dit segment van de financiële markt, of beter gezegd zakenrelaties, zijn bovendien geen zorgplicht behoevende oude weduwen. Er is hier sprake van een harde cultuur. Alle deelnemers zijn daarvan doordrongen, of zouden dat moeten zijn.

Dat laat onverlet dat de groei van financiële sector amper is gestuit. Dat het de vraag is of er in die sector sprake is van voldoende toegevoegde waarde tegenover de enorme risico’s die er nog steeds zijn. Dat het publiek zich nog steeds gegijzeld voelt en vermoedt dat het ook bij een volgende calamiteit de portemonnee moet trekken. Het allerminste dat de burger dan mag vragen is een cultuurverandering in de sector, een besef dat de voorbije manier van zakendoen niet kon. Smiths brief suggereert dat daar nauwelijks sprake van is. Daar mag je boos om worden.