Geen leven is waterpas Boekenweek? Boonjaar!

Op 15 maart 1912 werd Louis Paul Boon geboren. Boeken viert het eeuwfeest op zeven pagina’s met onder meer: Boontjes column, een bedevaart, de meisjes en een lofzang door Tom Lanoye.

Deze nooit in boekvorm herdrukte column verscheen op 15 maart 1968, de 56ste verjaardag van de schrijver. Van 18 november 1959 tot 21 januari 1978 verscheen vrijwel dagelijks een column van Louis Paul Boon (‘Boontje’) in het Vlaamse dagblad Vooruit. In 1988 begon uitgeverij Houtekiet met de integrale uitgave van alle ‘Boontjes’. Na acht delen (1959-1967) werd die uitgave in 2003 gestaakt.

Vergeet Mulisch, vergeet Nooteboom. Vergeet Elsschot en zelfs Hugo Claus. Nooit stond een Nederlandstalige auteur dichter bij de Nobelprijs dan Louis Paul Boon.

Toch keert het Nederlandse lezerspubliek zijn werk al jaren de rug toe. Ook in De revanche van de roman, de hartverwarmende studie van hoogleraar Thomas Vaessens over ‘literatuur, autoriteit en engagement’, viel schaduw noch echo te bespeuren van Boon. Terwijl zijn werk nog steeds de beste wetsteen vormt om onze geest te scherpen als het gaat om de schone letteren enerzijds, en de bitse realiteit van politiek en poen en porno anderzijds.

Waarom is Boon zo uit de Hollandse gratie gevallen?

Niet dat België zich op de borst moet kloppen. Goed, er bestaat een onuitroeibare groep van diehard fans, waarvan ik me lid-voor-het-leven acht. Er bestaat een Booncentrum en er is een prijs naar hem vernoemd. Hij wordt op onze universiteiten druk bestudeerd en vergeleken met John Dos Passos en Céline, en sinds kort waarschijnlijk ook met Dave What is the what?’ Eggers. Maar bij het grote Belgische publiek staat hij bekend als oubollige pornograaf, gedateerde linkse ‘viezentist’ of mislukte ‘tedere anarchist’.

Indien hij nog bekend stáát.

Een van Boons meesterwerken heet Pieter Daens, of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. Dit episch-documentaire boek werd twintig jaar geleden, dertien jaar na Boons dood, nog met veel succes verfilmd onder de titel ‘Daens’, met Jan Decleir als de bevlogen priester en met als hoogste onderscheiding een Oscarnominatie voor Best Foreign Language Film.

Ja, daar lustte Hollywood wel pap van, van al die pakkend in beeld gebrachte blanke armoede en al dat Europese onrecht, belichaamd door een Franstalige baron, een kansarm liefdeskoppeltje en een koppige Vlaamse pastoor die zelfs door het Vaticaan wordt gedwarsboomd omdat hij klinkt als een goddeloze socialist. In de filmbewerking leek de complexe historische en literaire figuur Daens wat op een Rocky in soutane: underdog en overwinnaar tegelijk. Even oer-Amerikaans als oer-Vlaams.

Zo’n succesfilm moest en zou dan ook een vervolg krijgen. Daens, the musical. Geen onaardig werkstuk en opnieuw een groot succes, vijftien jaar na de film. Maar op de affiche werd Boon al niet meer vermeld. Hij was geen verkoopargument meer bij het grote publiek. En op de receptie na de première sprak de Vlaamse minister-president vooral zijn bewondering uit voor de producenten, die een vervallen postkantoor hadden omgetoverd tot een moderne schouwburg. Slechts op de valreep besteedde de minister-president een paar lovende woorden aan de auteur van het oorspronkelijke werk. ‘Karel Paul Boon’. Een keer of drie zei onze minister-president dat. Karel Paul Boon. Hoe zou het de premier van Oostenrijk vergaan, als hij de Salzburger Festspiele opende met een lofzang op Ludwig von Mozart?

Goddank is Vlaanderen geen Oostenrijk. De ene helft van de genodigden in het voormalige postgebouw zuchtte ‘Vergissen is menselijk’, de andere helft had niets in de gaten – en allemaal bestelden ze nog een glas. Zoals ook Louis Paul Boon zou hebben gedaan. Hem kennende, zelfs twéé glazen.

Een paar decennia geleden schreef Jeroen Brouwers nog dat Louis Paul Boon een standbeeld verdiende op de grens van Nederland en België, met zijn aangezicht naar Amsterdam en zijn kont naar Vlaanderen. Theo Sontrop en Martin Ros van uitgeverij De Arbeiderspers hadden een auteur die in zijn geboorteland hoofdzakelijk werd misprezen en uitgelachen, ontdekt en omgekneed tot een internationaal gerespecteerd fenomeen. Terecht. Van Het Geuzenboek tot Menuet, van Vergeten straat tot Mijn kleine oorlog: hier klinkt een unieke stem, in een onnavolgbare stijl, en met een heel eigen schrijversuniversum. Boons thema’s zijn universeel, zijn techniek is grensverleggend, zijn invloed blijvend — minstens in Vlaanderen. Herman Brusselmans en Dimitri Verhulst mogen jegens elkaar kissebissen zoveel ze willen, ze zijn allebei even schatplichtig aan Boon. En ikzelf had Sprakeloos nooit zo jazzy durven componeren als ik niet De Kapellekensbaan had gelezen.

Ook Willem Elsschot, nochtans zelf een grootmeester van de gebalde stijl, herkende en apprecieerde de explosieve en meanderende oerkracht van zijn latere collega en vriend. Als jurylid van de Leo J. Krijnsprijs las hij in 1945 het manuscript van Boons debuut, De voorstad groeit. ‘Ik begon ’s avonds om half negen te lezen,’ zou hij later schrijven, ‘en ik herinner mij dat ik pas stopte toen ik mijn vrouw vanuit bed hoorde roepen dat het half drie was.’

Boon kreeg de prijs en groeide uit tot een gigant. Elsschot had zich niet vergist, zoals hij gek genoeg wél zou doen met Hugo Claus. Diens overrompelende debuut De Metsiers achtte jurylid Elsschot ‘niet geschikt om in boekvorm te worden uitgegeven’. ‘Ik heb het in zijn geheel gelezen, en dat wil wat zeggen qua zelfopoffering. […] Gewild ordinair en zo rommelig dat men onmogelijk uit de personages wijs kan worden.’ Het blijft tot op heden een van de grote mysteries in de Vlaamse literatuur: dat Elsschot het genie van Hugo Claus niet zag en dat van Boon wél.

Dat is des te merkwaardiger voor wie achter elkaar van Elsschot Kaas leest en van Boon De Kapellekensbaan. In een programmatisch voorwoord bij Kaas zet Elsschot zijn opvattingen uiteen over stijl. Sec en bondig uiteraard, in overeenstemming met zijn credo van reclameman. ‘Wat niet noodig is dient geweerd, en waar het met één personage kan is een menigte overbodig.’

Een groot verdediger van deze Literaire Klare Lijn kan je Louis Paul Boon niet noemen. Hij hield van menigtes, hij was verlekkerd op details die niet ter zake leken te doen, hij borstelde gulzig en driftig buiten alle lijntjes. Als de grote prent maar klopte, mocht het perspectief gerust uit de haak hangen. Correctie: precies omdát het perspectief niet klopte, was Boons verhaal waarachtiger.

Ook het leven zelf hangt zelden waterpas.

Behalve tegen Elsschot zet ik Boon in literaire discussies vaak af tegen W.F. Hermans, al bewonder ik ze allebei evenveel. Dat is het geweldige aan literatuur. Zelden laten je helden zich vangen onder het slagnet van een en dezelfde theorie. In Hermans’ romans mocht er geen mus van het dak vallen zonder dat die val bijdroeg tot de compositie en de betekenis van het boek – een richtlijn die zó uit de cursus had kunnen komen van een hedendaagse scriptdoctor.

Boon zet daar, reeds aan het begin van De Kapellekensbaan, een radicaler motto tegenover, hoewel duidelijk geïnspireerd op Hermans’ gevallen mus. Voor Boon is een roman een kuip mortel die van een stelling dondert. Hij bemint het onaffe, het accidentele, het wanstaltige, het ogenschijnlijk chaotische. In termen van moderne beeldende kunst is W.F. Hermans een Piet Mondriaan, Louis Paul Boon een Jackson Pollock.

Is Boon weggedeemsterd omdat de chaos bij hem te groot is gebleken voor hedendaagse lezers, die meer houden van overzichtelijke, chronologisch vertelde verhalen? Ik kan en wil het niet geloven, zeker na het lezen van recente successen als 2666 van Roberto Bolaño en Bezoek van de knokploeg van Jennifer Egan.

De reden valt, vrees ik, helaas meer te zoeken in het instrumentarium van Boon. Zijn taal. Zijn formidabele Boonsiaans. Door Nederlanders verkeerdelijk versleten voor plat Vlaams, en voor jonge Vlamingen even verkeerdelijk versleten voor het taaltje van hun voorouders.

Ikzelf ben er dol op, omdat – jazeker – dat Boonsiaans zo’n schitterend asieltehuis is. Het herbergt vele mooie oude woorden, het verwelkomt veel vergeten Vlaamse gezegden. Geen banneling zo buitenissig of hij krijgt bij Boon alsnog een rol. Het Boonsiaans knarst en botst en bijt en mengt en krijst en swingt als de neten — soms doet het me denken aan de rockchansons van Arno Hintjes, die zelf een kruising is tussen een anarcho-punker op jaren, een Jacques Brel op zijn best en een eeuwig onverstaanbaar snauwende visser uit Oostende.

Goddank is de idioom van Boon niet ‘zuiver’, niet ‘mooi’. Daarvoor bevat het ook te veel verbaal wrakhout, literaire afbaakmaterialen en Aalsters gevloek. Hoe zijn vertalers dat ooit hebben opgelost? Ik weet het niet. Hoe vertaal je de gevoelswaarde van ‘mijne frak’ (mijn jas), ‘een perte totale’ (een total loss) en ‘het fluitenwerk’ (homoseksualiteit)?

Maar dat hele taalbouwsel van hem, dat beruchte Boonsiaans, maakt zozeer een onderdeel uit van zijn verstelstof en de typering van zijn personages, dat ik de beginnende Boonlezers slechts één raad kan geven. Bijt op uw tanden, schattebouten, en zet door. Vooral tijdens die eerste paar bladzijden. Laat u niet afschrikken, maar geniet juist van deze onverwachte woorden hier, dat gekke voorzetsel daar, en gindse maffe uitdrukking. De context geeft hun betekenis wel prijs. En wees gerust, uw beloning is niet min. U krijgt een boek te lezen zoals u er nog nooit een las. De kans is zelfs groot dat, al na één hoofdstuk, u zelf gaat spreken ‘op zijn Boons’. Verras uw vrienden! Vermaak uw nageslacht!

Geef Boon wat Boontje toekomt, en verwen uzelf met een van de spannendste oeuvres in ons taalgebied. Een vingerhoedje inspanning, voor een oceaan van rauw talent.