Een wereld van verschil tussen een en een ei ij

Nee, een taalfout is in het licht van de wereldgeschiedenis inderdaad geen ramp. Wel wordt het gezag van de tekst waarin de fout staat ermee ondermijnd. Hoe kan het eigenlijk dat we in Nederland steeds meer taalfouten lijken te maken? Over het verschil tussen een paard berijden en een paard bereiden.

De gemiddelde Nederlander is slordig in zijn taalgebruik. Hij goochelt met voorzetsels (bezwaren over iets hebben), kent de vaste uitdrukkingen niet meer (ik hoorde een hooggeplaatste bestuurder onlangs zeggen dat we de armen uit de mouwen moeten steken: niet onlogisch, maar taalkundig onjuist) en het onderscheid tussen hen en hun is een verloren zaak. Om van hun hebben maar te zwijgen: vreselijk fout (hun kan nooit onderwerp van een zin zijn), maar in brede lagen van de bevolking volledig geaccepteerd. En, hou je vast: hun hebben staat ook al in Van Dale. Weliswaar aangeduid als ‘volkstaal’, maar toch.

Ach, zullen velen denken, een taalfout is toch geen ramp? Nee, in het licht van de wereldgeschiedenis hebben ze helemaal gelijk. Maar onderschat het effect van een fout niet op taalgevoelige lezers. Taal- en feitelijke fouten kunnen irritatie wekken en het gezag van een tekst (en dus van de auteur) ondermijnen. De gebruiker moet de zin herlezen, wat soepele lezing verstoort. In het hoofd van de lezer krijgt de auteur al snel het etiketje ‘dom’ opgeplakt. Immers, zaken die je al vanaf de basisschool behoort te kennen en te kunnen, blijk je op volwassen leeftijd nog niet te beheersen. Een paard berijden of een paard bereiden, het scheelt nogal.

Natuurlijk is er een sociaal aspect. Taalveranderingen die hun oorsprong vinden in de volkstaal (zie: hun hebben) worden veel harder bestreden dan veranderingen waarbij dat niet onmiddellijk duidelijk is (zie: ik heb ze gezien, in plaats van hen of zelfs haar).

Maar hoe komt het dan toch dat we steeds meer fouten lijken te maken? Uit onderzoek van taalkundige Jannemieke van de Gein naar teksten van basisschoolleerlingen blijkt dat 75 procent van de leerlingen in groep 8 geen fouten in werkwoordsvormen maakt. Een bizar goede score als je dat vergelijkt met e-mails uit de zakenwereld, krantenartikelen, scripties van studenten en teksten van andere hoogopgeleiden.

Waar en hoe zijn we die kennis kwijtgeraakt?

Het antwoord is: op de middelbare school.

Maar liefst tweederde van de atheneumleerlingen maakt bij zijn eindexamen fouten in werkwoorden. „Het is gebrek aan onderhoud”, aldus Van de Gein, die promotieonderzoek deed naar grammatica- en schrijfonderwijs op de basisschool en meewerkt aan periodieke peilingen van het schrijfonderwijs. „In het basisonderwijs hamert één en dezelfde docent voortdurend op spelling, in het voortgezet onderwijs gebeurt dat alleen bij het vak Nederlands.”

Als taalfouten de voorboden zijn van veranderingen in de taal, dan zal het onderscheid tussen me/ m’n/ mijn, ze en zijn, je/jou/jouw op den duur verdwijnen. Ook het meewerkend voorwerp heeft het zwaar: ik pas die broek (in de betekenis van: die broek is niet te groot of te klein) is tegenwoordig net zo normaal als het correcte die broek past mij. Tijdsaanduidingen met sinds en vanaf gaan steeds vaker fout: Sinds drie jaar is hij begonnen met pianospelen (Juist is: Drie jaar geleden is hij begonnen met pianospelen of Sinds drie jaar speelt hij piano).

En dan het Engels dat oprukt: in kranten zie je tussen de regels door steeds vaker de invloed van Engelstalige persberichten, vaak in de vorm van foute vertalingen. Nadat Obama het Witte Huis verliet (after Obama left The White House) in plaats van had verlaten. Of: In Irak zijn tien Amerikaanse troepen gedood (troops) in plaats van militairen.

Natuurlijk is taal altijd in beweging, we praten en schrijven niet meer als in de 17de eeuw. Maar dat is iets anders dan slordig omspringen met de geschreven taal, die nog nooit zo stevig in regels gevat was als in onze tijd. Dan moeten die regels ook te doceren, te leren en toe te passen zijn, zou je denken.

„Geschreven taal verandert veel minder snel dan gesproken taal”, aldus taalkundige Jannemieke van de Gein, „waardoor geschreven taal op sommige punten een enigszins gekunstelde taal is. ‘Hun hebben’ hoor je veel in de spreektaal, maar gebruik het nou niet in je sollicitatiebrief.” Grammaticale verschuivingen zijn tot op zekere hoogte acceptabel, vindt Van de Gein.

Om een voorbeeld te noemen: was richting tot voor enkele jaren alleen een zelfstandig naamwoord, nu wordt het ook gebruikt als voorzetsel (communiceren richting de burger). „Met zandzakken voor de deur een achterhoedegevecht leveren tegen taalveranderingen heeft geen zin”, vindt Van de Gein. „Maar in de spelling liggen de regels zo vast dat je gewoon moet zeggen: fout is fout.”

Friederike de Raat was chef eindredactie van NRC Handelsblad en is nu in deeltijd eindredacteur van nrc.next. Haar boek ‘Hoe bereidt je een paard & andere onuitroeibare taalfouten’ verschijnt dit weekeinde bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. €10