Een onopgemerkt leven

Nederland. Den Haag. 2 februari 2012. Portret van Gerard Koolschijn (1945); auteur van de autobiografische roman Geen sterveling weet. In het boek neemt zijn jeugd in een bevindelijk, extreem orthodox, milieu een voorname plaats in. In dit gebouw aan de Prinsegracht kwam hij als kind om naar predikant ds. Paauwe te luisteren. Portrait of Gerard Koolschijn; a wellknown Dutch translator and writer. Foto: Inge van Mill/Hollandse Hoogte Inge van Mill/Hollandse Hoogte>

Gerard Koolschijn: Geen sterveling weet. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 520 blz. €19,95 (geb. € 29,95).

Een verstandig man zou het over minstens drie boeken hebben uitgesmeerd. Maar Gerard Koolschijn, bekend van zijn heldere vertalingen uit het Grieks, van Plato, Herodotus, Homerus en Euripides, perste zijn hele levensverhaal in één roman, van ruim vijfhonderd bladzijden, dichtbedrukt.

Geen sterveling weet over zijn gereformeerde jeugd, over zijn moeizame, al bij voorbaat gedoemde eerste huwelijk, zijn ijverige vaderschap tegen wil en dank, zijn gelukkige tweede huwelijk, zijn merkwaardige loopbaan en zijn vele fiets-, wandel- en schaatsavonturen. Koolschijn reed niet alleen twee keer de Elfstedentocht, in 1985 en 1997, maar nam ook deel aan marathonschaatswedstrijden. Een keer werd hij zelfs eerste, op De Uithof in Den Haag.

Alleen al de beschrijving van zijn eenzame verblijf, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, op een onherbergzaam Grieks rotseilandje, zou een aparte behandeling hebben verdiend. Het eilandje, zonder haven, en verstoken van gas en licht, gold officieel als ‘een plaats van ongunstig verblijf’. Koolschijn leidde er een kluizenaarsbestaan. Hij maakte dagelijks wandelingen door het ongerepte landschap, vertaalde af en toe wat, of probeerde van gedachten te wisselen met bewoners die Zondagse heetten, of Dikke of Verre. Een jaar lang leefde hij er op water en brood en sardientjes in blik, met een incidentele druif als toetje.

Ook de rondzwervingen met zijn ‘vertaalvriend’ van de middelbare school (Nicolaas Matsier), in navolging van de Griekse strateeg en schrijver Xenofon, hadden een aardige, zelfstandige novelle kunnen opleveren. De vrienden zochten, met gevaar voor eigen leven, naar de doorwaadbare plaats, in het huidige Turkije, waar Xenofon met zijn leger de rivier Kentrites zou hebben overgestoken.

Koolschijn had zich ook kunnen beperken tot zijn jeugdjaren, die in godsvrees, om niet te zeggen in de godsdienstwaanzin van zijn vader waren gedrenkt. Met de bijbehorende, kleurrijke anekdotes en smakelijke verhalen had hij met gemak een boek van normale omvang kunnen vullen. Maar hij koos voor een totaalaanpak waarin de gespannen verhouding tussen vader en zoon wel de rode draad vormt, maar de lezer er nog een complete relatieroman bij krijgt.

Ik vermoed dat Koolschijn deze royale keuze maakte om niet al te veel in het voetspoor te treden van Jan Siebelink, die zijn lezers in Knielen op een bed violen (2005) liet kennismaken met bloemkweker Hans Sievez. De bloemkweker was zozeer in de ban van de strenge leer van de hervormde predikant Poort dat hij zijn werk en gezinsleven ervoor in de waagschaal stelde. Bij Koolschijn wordt deze grote religieuze roerganger Raave genoemd, maar in beide gevallen is de sombere domineesfiguur terug te voeren op de persoon van dominee J.P. Paauwe.

Trouwelingen

‘De dominee’, zoals hij in Geen sterveling weet eenvoudig wordt genoemd, weet de druk er bij zijn trouwe volgelingen goed op te houden. Tijdens de zondagse dienst krijgen ze steeds opnieuw te horen dat ze ‘volstrekt waardeloos’ zijn en dus niet op goedkeuring van boven hoeven te hopen. Als hij op huisbezoek gaat, om een jarige te feliciteren, durft niemand een mond open te doen. ‘Zijn gezelschap zat als verlamd aan de thee’, noteert Koolschijn, ‘bang de godsdienstige plank mis te slaan. Na drie kwartier ongemakkelijk zwijgen zei hij dan: ,,Wat zitten we hier aangenaam bijeen”.

Het grote schrikbeeld van zijn volgelingen is te sterven zonder ‘bekeerd’ of ‘verlost’ te zijn. En dus niet zeker te weten of ze na hun dood in de hemel zullen komen. Deze bekering viel Siebelinks bloemkweker wel ten deel, maar pa Koolschijn bleef er, naar het schijnt, vergeefs op hopen.

In de jaren zestig en zeventig waren veel mensen bang voor de gevolgen van de Koude Oorlog, maar voor vader Jan, noteert Koolschijn droogjes, ‘waren atoombommen pinda’s vergeleken bij de wrake Gods’. Ondanks de duizenden gebeden die hij uitsprak, ondanks het veelvuldige ‘thuislezen’ en ondanks alle overige vrome offers, bleef hij aangewezen op zichzelf.

En dat is denk ik precies de reden waarom de vader, in het dagelijks leven advocaat, net geen al te kwezelige figuur wordt. Hij blijft zelf denkend en op zijn manier ook zelfkritisch en zijn zoon zal zich nooit helemaal van hem afkeren. Uit alles blijkt bovendien dat vader en zoon op elkaar lijken. Jan is een fanatieke gelovige, maar Gerard is een minstens even fanatieke vertaler, sporter en natuurliefhebber.

Opmerkelijk is ook de stilistische overeenkomst tussen vader en zoon. In 1981 schreef Jan een beschouwing over leven en werk van ds. Paauwe. Door alle zware, gereformeerde kost heen valt een lichte, hier en daar zelfs komische toets te bespeuren. Een vergelijkbare afwisseling zie je terug in Geen sterveling weet. Koolschijn wil, net als Xenofon, dat ene, korte leven laten zien dat een mens gegeven is, zo feitelijk mogelijk. ‘Want meer is er niet.’ Maar er is ook ruimte voor lyrische landschapsbeschrijvingen en voor gortdroge observaties.

En juist omdat hij weet dat een mens het met dit ene leven moet doen, wil hij – een andere rode draad in het boek – de dingen doen die hij het liefst doet. Vertalen, reizen, wandelen, fietsen, schaatsen. Maar hij wil ook weer niet iemand zijn die alleen maar leeft voor zichzelf. Dit dilemma duikt telkens weer op.

Hij voltooit met groot gemak twee studies en geeft een tijdlang les, maar schrikt steeds terug voor de hoge functies die hij krijgt aangeboden. Als hij, vooral om de familie een plezier te doen, dan toch maar rector wordt van een middelbare school, geeft hem dat in het begin wel enige voldoening. Maar zodra de dagelijkse sleur hem te veel gaat beklemmen, neemt hij ontslag.

Zwarigheden

Eigenlijk wil Koolschijn verlost worden, net als zijn vader. Niet van erfzonde of schuld, maar van de zwarigheden en verplichtingen van het leven. Door het hele boek heen klinkt ook iets melancholieks. Hier is iemand aan het woord die wel wil leven, maar het liefst onzichtbaar of onopgemerkt. Mooi is dan ook het slot van de roman, waarin we Koolschijn zien schaatsen op ijs dat al aan het wegdooien is. Geen sterveling waagt zich er nog op. Maar hij kan er nog geen afscheid van nemen. Hij schaatst voor de tweede keer de Kever op bij Sassenheim, om steeds grotere wakken heen. Hij hoort alleen nog het geroep van watervogels, geen geluiden meer van mensen. Laatste zin: ‘Het licht begon te verdwijnen.’

En zo schaatst hij het boek uit, het donker in. Een passend besluit van een bijzonder innemende roman, overvol van ingehouden leven.