Een intuïtieve scherpschutter

‘Zonsondergang, Gaeta’

Cy Twombly: Fotografisch werk 1951-2010. De Bezige Bij/Ludion, 174 blz. €34,90.

Schilderen was een infantiele bezigheid. Iets dat hij deed in een extatische stemming. Een kwestie van afwachten en snel toeslaan. Daar konden uren, dagen van apathie aan voorafgaan. Maar was het eenmaal zover, dan moesten er vooral geen gedachten worden gemaakt over compositie, kleur of andere formele zaken. Gewoon, ‘doorpakken’.

Deze manier van werken hanteerde de Amerikaan Cy Twombly (1928-2010). Hij sprak erover met de Britse kunstcriticus David Sylvester (1924-2001), het enige lange interview dat ooit met de schuwe schilder Twombly is gemaakt. Hij leefde teruggetrokken in Rome, in Gaeta, aan de Italiaanse kust, in Lexington, Virginia. Veel musea kochten zijn werk aan. Het was onbetaalbaar. En na de dood van de kunstenaar in 2010 ging er natuurlijk nog een schep bovenop.

Twombly was een intuïtieve scherpschutter die doeken maakte vol krassen, vegen, stippen, striemen en gecodeerde teksten. Vraag niet hoe, maar dat alles kwam altijd in de juiste proporties, met het juiste pigment op de juiste plek op het doek terecht. Nonsens, ik weet het, en toch is het zo.

Hij spatte met verfdotten, liet de verf druipen, draaide zijn penselen met verse kleuren rond in een drijfnatte ondergrond of hij gebaarde in witte verf alsmaar dezelfde lussen en krassen. Twombly knoeide met verf, maar op een superieure wijze. In een kwartiertje extase ontstond een wonder – zó veel schoonheid uit zó weinig, hoe kan dat?

Ook als fotograaf kan je Twombly een knoeier noemen. Het net verschenen Cy Twombly: Fotografisch werk 1951-2010 – met niet eerder gepubliceerde opnamen, nu in Brussel tentoongesteld – is er het bewijs van. Hij fotografeerde al vanaf de jaren vijftig maar trad pas in 1993 met zijn opnamen naar buiten. Met Polaroid-instant-camera’s, zonder autofocus, kwamen de onscherpste foto’s tot stand. Een broeierige zonsondergang aan de kust bij Gaeta bijvoorbeeld kan net zo goed doorgaan voor een druipende keukenkraan bij bovenlicht; wat op de zee lijkt is misschien wel het aanrecht. En dankzij een of ander pigmentatie-proces kon van zo’n unieke Polaroid-opname toch een beperkte oplage worden gemaakt.

In dat interview met Sylvester kwam Twombly ook over zijn fascinatie voor landschappen, zeeën, bomen en planten te spreken. Die thema’s keren terug in het fotoboek. Jonge bomen monden uit in een vage massa stengels plus groen, die dankzij warm zonlicht ineens bezaaid lijken met goudstof. Een ander mirakel is een cluster van rotsige stenen, die zich bij nader inzien prijsgeven als neerzijgende bladeren van een groene kool-achtige plant. Alsof er dicht bij de zee waar Twombly vaak rondzwierf, organische rouwboeketten bloeiden.

De titels van de foto’s dekken de inhoud: tulpen, citroen, penselen, de schoenen van de kunstenaar. En die krijgt u inderdaad te zien, maar niet echt. Twombly liet de contouren van zijn onderwerpen keer op keer wegvloeien tot ze een schim waren van zichzelf. Als een foto bedoeld is om dat ene moment van frictie tussen licht en materie te vangen, deed Twombly als het ware een stap vooruit: het moment was er nauwelijks meer toen het zich aandiende. Hij forceerde de tegenwoordige tijd tot de voltooid verleden tijd.

Over zijn schilderijen zijn razend complexe stukken geschreven. Namen als Achilles en Catullus, in harkerige letters opgenomen tussen de verfflarden, maakten bij kunsthistorici, critici en filosofen veel los over de klassieke oudheid, over schrift en semantiek en god mag weten wat. Ook de inleiding in dit nieuwe fotoboek – in 2008 verscheen eveneens een foto-overzicht – wemelt weer van sektarische taalconstructies: ‘Roland Barthes noemde Twombly’s stijl een „perverse palimpsest”, datgene plaatsend wat geschreven is en wat uitgewist is in lagen, daarbij de onderscheidende kenmerken van het procedé van de kunstenaar contextualiserend om enkel – en uitsluitend – een beeld te maken in de leesbaarheid van zijn eigen geschiedenis.’

Waarom niet dat interview met de zelfbenoemde ‘nostalgicus’ gepubliceerd? Daaruit leren we een levensgenieter kennen, een man die graag reisde, de pest had aan hete zomers in het volle Rome en die een zwak had voor boten, vanwege prettige jeugdherinneringen.

Waarom niet een sfeerbeschrijving van dat volle atelier in Lexington, van dat lege huis in Rome, waar hij vage foto-impressies van maakte, zoals in het boek is te zien? Dergelijke teksten hadden de kunstenaar dichterbij gebracht, terwijl hij nu alleen maar wegdrijft in bijvoorbeeld ‘de socratische ironie van Søren Kierkegaard, waaruit we opmaken ,,dat het fenomeen niet het wezen is, maar eerder het tegendeel van het wezen is”. ’

Geef mij maar de schilder van vlees en bloed, die vertelde hoe zijn zenuwgestel hem parten speelde bij het verven ‘in a rush’. En de fotograaf die op een onthecht moment naar zijn schoenen keek en daar hemels glinsterende pantoffels van wist te maken. ‘Pantoffels’, dat staat er nou wel, maar misschien waren het wel ballroomdance-schoenen, met gouddraad en pailletten? Het is die onzekerheid die Twombly’s werk zo spannend maakt.

Kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh vertelde ooit dat hij, indien sprake was van verbanning naar een onbewoond eiland, een werk van Jan Schoonhoven zou meenemen: geometrie, wit op wit en verschuivend daglicht. Verder mag je er van alles bij bedenken. Twombly’s werk biedt diezelfde ruimte en vrijheid.

Cy Twombly: Photographs 1951-2007. Essay: Laszlo Glozer. Schirmer/Mosel, 2008, 260 blz. € 78,–. De tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel duurt tot 29/4.