Dichtbij, maar dichtbij wat?

Steffie van den Oord wil de geschiedenis niet verklaren, maar verpersoonlijken. Alleen ongemerkt verfraait ze haar verhalen, soms door ze te verruwen.

Steffie van den Oord: Oud was ik toen ik jong was. Contact, 208 blz. €18,95

Hoe haal je de geschiedenis dichtbij? Door hem persoonlijk te maken. En hoe maak je de geschiedenis persoonlijk? Door niet te focussen op jaartallen en verdragen, maar op verhalen. De methode is waarschijnlijk het meest gebruikt in kinderboeken: Oorlogswinter, Kruistocht in Spijkerbroek, Oorlog zonder vrienden. Spannende verhalen waarin je ondertussen toch enigszins oppikt hoe het zat in de oorlog en in de Middeleeuwen. Maar dat zijn kinderboeken, en bovendien fictie.

In het genre van de literaire non-fictie gebeurt iets vergelijkbaars, zij het wat subtieler en met als primair doel: geschiedschrijving. Frank Westerman mag zichzelf als held in het Groningse landschap plaatsen, De graanrepubliek gaat over landbouw in het Noorden in de 20ste eeuw. En El Negro en Ik mag lezen als een persoonlijk reisverslag, het is bedoeld als boek over raciale vooroordelen in Europa. Iets vergelijkbaars gaat op voor Sonny Boy van Annejet van der Zijl.

De geschiedenis door persoonlijke verhalen dichtbij brengen zonder dat te verpakken in een historische roman: zulke boeken zijn al jaren een buitengewoon populair genre dat vaak kan werken, maar ook kan vervallen in een historische soap.

Hoe zit dat met Oud was ik toen ik jong was van Steffie van den Oord (1970), die eerder succes had met de bundel Eeuwelingen, over honderdjarigen? Haar nieuwe boek vertelt drie verhalen over levens die zijn gevormd door de twee wereldoorlogen van de vorige eeuw. Het opvallende is daarbij dat Van den Oord geen poging doet om de geschiedenis te vertellen. Zij richt zich alleen nog maar op de personen die ze heeft gesproken over hun ervaringen. De geschiedenis resoneert mee, maar slechts als noodzakelijk decor. In het slechtste geval zou je dus alleen nog de ‘soap’ overhouden, maar dat is hier niet het geval. Steffie van den Oord is namelijk in de eerste plaats een goede interviewster; wat ze maakt zijn vooral portretten. De geschiedenis mag meespelen op de achtergrond, en er gaat vrijwel altijd een groter verhaal schuil achter het individuele verhaal. Maar dat komt indirect tot stand, bij toeval als het ware.

Honderdjarigen

Eeuwelingen (2005) was een verzameling gesprekken met honderdjarigen, terloopse geschiedenissen van een eeuw. Liefde in oorlogstijd (2005) vertelt over de manier waarop relaties op vaak onwaarschijnlijke manier stand hielden in de oorlog, maar je krijgt nooit de indruk dat het Van den Oord daar om te doen was. Ze is niet geïnteresseerd in het grote verhaal, het gaat om mensen, en het verhaal krijg je er bij.

Oud was ik toen ik jong was heeft een vergelijkbare opzet, maar anders dan in Eeuwelingen en Liefde in oorlogstijd zijn de drie verhalen hier niet sterk met elkaar rondom een thema verbonden. Goed, in alle drie draait het om hoe de geschiedenis over een mensenleven heen walst, maar dat is feitelijk een non-issue: dat de wereldoorlogen over flink wat levens zijn heen gewalst, is immers bekend.

Een andere rode draad is de verhouding ouder-kind, gelukkig zonder dat dit boek daarmee een verhaal over ouderschap wordt. In alle drie de verhalen verliest een ouder een kind, mede doordat de ouders heel oud worden en hun kinderen niet. Maar ondanks deze thematische overeenkomsten verschillen de verhalen sterk van elkaar, vooral door de stijl en de rol van het geheugen.

Zo kijkt in het openingsverhaal ‘De Rode Belg’ een man van 108 jaar terug op zijn jeugd wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Zonder zijn ouders vlucht hij naar familie in Den Bosch terwijl de zeppelins richting Antwerpen drijven om de stad plat te bombarderen. Zijn ouders zullen later volgen. De angst van toen, voor de dood van zijn ouders en zusje met haar baby, wordt vertaald naar het heden. Hij wil blijven leven, ook na een val en een heupbreuk, desnoods als plant.

Het tweede verhaal, ‘Mme K.’ gaat over Hélène Erdtsieck. Hierin wordt Hélène op de voet gevolgd vanaf het moment dat ze afstand moet doen van haar kind. Na de scheiding van haar man wordt de voogdij aan hem toebedeeld. De man, goed opgeleid, deugdelijk uiterlijk en met goedgebekte advocatenvrienden wint de voogdij van de uit een armer milieu komende vrouw die al snel beschuldigd kan worden van vrijpostigheid en schuinsmarcheerderij. Ze raakt niet alleen haar kind kwijt, maar ook haar veilige achternaam, waardoor ze met haar meisjesnaam Kibitz als jood de Tweede Wereldoorlog door moet zien te komen. Het geheugen maakt hier plaats voor verbeelding: het verhaal kon niet volledig verteld worden omdat Hélène stierf voordat ze alles verteld had. Maar door in het gevoelsleven van Hélène te kruipen weet Van den Oord haar menselijk te maken, en ondertussen krijg je een verhaal over de hypocriete seksuele moraal van de jaren dertig.

Het laatste verhaal is kort en misschien wel het sterkste van de drie. Hierin verliest een echtpaar tijdens een bombardement twee van hun vier kinderen. De vader heeft ze niet kunnen redden. Hij begraaft ze in de achtertuin om ze na twee weken naar een kerkhof te brengen. Het verlies van de kinderen wordt na de oorlog uit katholieke huwelijksplicht gecompenseerd, want zij ‘die verloren waren, moesten terugkomen’. Maar de vrees voor nieuw verdriet is zo groot dat de kinderen in huis moeten blijven.

Buitenspelen met al zijn gevaren wordt vervangen door muziek maken binnenshuis. Dit stuk is fragmentarischer, omdat de gedachten aan die kinderen weliswaar dagelijks terugkomen, maar alles laten verstommen wat je onder woorden wil brengen. Geen invulling, maar open plekken zijn het gevolg – hierin wordt het beste getoond wat de methode waard is.

Bewuste chaos

Van den Oord wil de geschiedenis niet verklaren aan de hand van individuele verhalen zoals Geert Mak doet. Tegelijkertijd wil ze het materiaal ook niet zo onbewerkt aan de lezer presenteren als Judith Koelemeijer over haar familie in Het zwijgen van Maria Zachea. Want het is zeker niet de bedoeling dat we zelf alles invullen.

Oud was ik toen ik jong was is een poging om middenin de gebeurtenissen te gaan staan, en ze zo chaotisch en onbegrijpelijk te maken als ze voor de protagonisten waren. Van den Oord presenteert geen conclusies of grote lijnen, ze verfraait alleen ongemerkt (en soms door helemaal niet te verfraaien, maar door te verruwen). Zo kom je dichterbij, al weet je niet precies bij wat. Het lijkt wel literatuur.