De wolvendroom is een wondertje in ‘Wonderkabinet’

Brian Selznick: Het wonderkabinet. Vert. Gert van Santen. Boekerij, 637 blz. € 19,95 10+

De wolven komen bij het omslaan van elke volgetekende bladzijde dichterbij, tot we in een paginagrote wolvenpupil kijken. In woorden had Brian Selznick de nachtmerrie van zijn hoofdpersoon niet beter kunnen vatten.

Er is wel wat te zeggen voor de mengvorm van tekst en tekeningen in het werk van de Amerikaan Selznick. In zijn eerste kinderboek De uitvinding van Hugo Cabret (2007) was film zo belangrijk dat het voor de hand lag om het beeld voor zichzelf te laten spreken. Woord en beeld waren gelijkwaardige pijlers waar de vertelling op rustte: de tekst werd afgewisseld met paginagrote tekeningen, waarin het verhaal filmisch verderging. Voeg daarbij een klassiek aandoend kinderboekenavontuur en een ode aan de Franse stomme-filmpioniers en daar was het vernieuwende boek waarop Martin Scorsese zijn recente Oscarfilm Hugo baseerde.

Graphic novels zijn in het Nederlandse kinderboekenlandschap nog steeds een zeldzaamheid, maar een waardevolle toevoeging is Selznicks tweede boek Het wonderkabinet niet. Het begin met de wolvendroom is nog veelbelovend, maar vervolgens schakelt het boek radicaal over naar twee aparte verhalen, één in beeld en één in tekst, die aanvankelijk niet meer doen dan een beetje knipogen naar elkaar, tot ze in het slotdeel vermengd worden.

Het ‘tekstverhaal’ is het verhaal van de jonge Ben, die in 1977 opgroeit in Minnesota, net zijn moeder verloren heeft en zijn vader gaat zoeken; het ‘beeldverhaal’, in realistische potloodtekeningen, gaat over Rose, die vijftig jaar eerder wegloopt van haar huis in New Jersey en op bezoek gaat bij een filmster die haar afwezige moeder blijkt te zijn.

Twee verhalen vertellen gaat Selznick niet best af en de belangrijkste oorzaken daarvoor zijn pijnlijk ironisch. Bens avontuur komt pas op gang nadat Selznick uitvoerig diens hele geschiedenis uitgetekend heeft, maar zijn zinnen staan bol van de clichés – had hij maar wat meer op de beeldende kracht van de taal vertrouwd.

De illustraties die het verhaal over Rose vertellen vallen juist weer terug op tekst: ongeïnspireerde briefjes moeten ons tonen dat (én wat) er gecommuniceerd wordt. Bovendien zijn de tekeningen vaak knullig, zodat Rose te vaak langskomt als een poppetje met een megahoofdje op een minirompje. Pas wanneer Selznick close-ups tekent gaan de gezichten spreken, maar dan juist weer veel meer dan je zou wensen.

Dat de wolvennachtmerrie terug te voeren blijkt tot een verdrongen herinnering die de levens van Ben en Rose verbindt, doet misschien intrigerend freudiaans aan, maar die schijn bedriegt. Het is de zoveelste kunstgreep in een boek dat zo veel beter had kunnen zijn.