Beloningsstructuur van The New York Times kan daglicht niet verdragen

De beloningsstructuur van de Amerikaanse krant The New York Times is het hoge aanzien van de krant onwaardig. Het Amerikaanse dagbladbedrijf heeft een bonusstructuur gepresenteerd waarbij directeuren worden beloond met 175 procent van hun vaste honorarium als ze een rendement bewerkstelligen van slechts 2,5 procent op geïnvesteerd kapitaal.

Dat is een fractie van de kapitaalkosten van het bedrijf, en veel lager dan de eigen, vorige norm. Hoge kwaliteitseisen aan journalisten lijken niet te gelden voor het bestuur.

Het feit dat de royale beloning stilletjes openbaar is gemaakt op vrijdag geeft blijk van een scherp besef van de nieuwscyclus. Als bliksemafleider presenteerde het bedrijf ook een gouden handdruk van bijna 24 miljoen dollar (bijna 18,4 miljoen euro) voor vertrekkend bestuursvoorzitter Janet Robinson. Het prestatieplan voor de lange termijn vertelt echter een ander deel van het verhaal.

Van 2009 tot 2011 konden topbestuurders hun volle bonussen verdienen (2 miljoen dollar elk voor Robinson en Arthur Sulzberger, voorzitter van de raad van commissarissen), als het bedrijf gemiddeld een minieme 1,6 procent rendement opleverde op geïnvesteerd kapitaal, en een middelmatige 7,7 procent winstmarge op de kasstroom uit operaties.

Ze hadden recht op nog eens 75 procent, omdat het feitelijke rendement hoger was dan 2,5 procent en de kasstroommarge een piek bereikte van 9,8 procent.

Concurrent Gannett, uitgever van het dagblad USA Today, rapporteerde veel hogere kasstroommarges in 2009 en 2010 – maar werd terecht door de mediaverslaggever van de Times bekritiseerd voor hoge beloning van bestuurders.

En om de maatstaf van rendement op geïnvesteerd kapitaal in zijn context te plaatsen: het moederbedrijf van The New York Times betaalde in 2009 maar liefst 14 procent rente om geld te lenen van de miljardair Carlos Slim, en ongeveer 6,6 procent op obligaties die het verkocht in 2010.

Het lijkt erop dat de Times prestaties beloont die waarde vernietigen. Daarbij valt op dat bestuurders in eerdere jaren niet in staat waren om stringentere verwachtingen waar te maken. In 2009 was een gemiddeld rendement op geïnvesteerd kapitaal van 7,3 procent over drie jaar vereist, meer dan vier maar zo hoog dan in het nieuwe plan. Op basis daarvan kregen Sulzberger en zijn collega’s niets. Wel kregen ze flinke bonussen na een daling van 70 procent in de waarde van de aandelen van het bedrijf in vier jaar – deels omdat het met concurrenten nog slechter ging.

Toen Carr kritiek leverde op de praktijken bij Gannett, vroeg hij zich af: „Hoe kan een directie zulke hoge bonussen aan mediabestuurders rechtvaardigen in deze tijd?” Die vraag zouden de bestuurders in de directiekamer van zijn eigen werkgever zich ook mogen stellen.

Jeffrey Goldfarb

Vertaling Frank Kuin