Zes maanden wachten op een opgezette ‘Fiefie’

Preparateurs krijgen steeds meer aanvragen van mensen die geen afscheid willen nemen van hun dode huisdier. „Dan is hij nog een beetje bij me.”

Opgezette huisdieren bij de gebroeders Teurlincx. Foto’s Rien Zilvold

In de werkplaats van preparateur Joep Teurlincx ligt een Perzische kat. Uit zijn kop steken een paar spijkers. Baasje Marcel Croese (54) bekijkt hem aandachtig. „Mooi, mooi”, mompelt hij zacht. Dan aarzelt hij. „Zou je nog wat kunnen corrigeren?” vraagt hij voorzichtig aan de preparateur, en wijst naar de poot van het dier. „Dit iets naar boven. Dat had-ie namelijk.”

De kat van Croese, Poesie, overleed vier maanden geleden. Croese was er kapot van. „Hij was zestien jaar lang mijn kameraadje. En dan zou ik hem onder de grond moeten stoppen, waar hij wordt opgevreten door wormen?” Hij hoorde over de mogelijkheid om je huisdier te laten opzetten, dat leek hem wel wat. „Dan is hij nog een beetje bij me.” Vandaag ziet Croese zijn kater voor het eerst terug. Hij is tevreden. „De uitdrukking van zijn koppie, de krul in zijn staart; alsof hij weer tot leven is gebracht.”

Het lijkt een trend: huisdieren opzetten. De Nederlandse Vereniging van Preparateurs (NVP) ziet het aantal huisdiereigenaren dat met gestorven dieren naar de preparateur gaat toenemen. Tot voor kort kwam het nauwelijks voor, inmiddels worden jaarlijks tussen de 100 en 200 huisdieren aangeboden. Maar het opzetten van huisdieren is omstreden. Veel preparateurs weigeren omdat het afvoeren van de kadavers is gebonden aan strenge voorschriften. Daarnaast loopt het resultaat vaak uit op een teleurstelling: baasjes herkennen hun huisdier in opgezette staat niet meer.

„Het is erg commentaargevoelig”, zegt Joep Teurlincx, mede-eigenaar van preparateurbedrijf gebroeders Teurlincx in Eindhoven. Ook hij krijgt de laatste jaren meer verzoeken. De wachttijd is opgelopen tot zes maanden. De toegenomen belangstelling is een gevolg van de nauwere band die mensen met hun dier hebben, denkt Teurlincx. „Het huisdier is onderdeel van de familie. Het is een maatje, dat meegaat vissen en naar de kroeg.” Jan van Hout, secretaris van de NVP, spreekt van de „vermenselijking” van het dier. „Ik hoorde laatst over een vrouw die in tranen bij de preparateur kwam. Ze had haar kat dood in een mand gelegd, omdat ze hem niet kon begraven. Pas toen het dier begon te ruiken, nam ze hem in verregaande staat van ontbinding mee naar de preparateur: kunt u er nog wat van maken? Zo hecht kan die relatie zijn.”

Voor sommigen is het overlijden van hun huisdier erger dan het verlies van een menselijke huisgenoot, zegt bioloog Midas Dekkers. Dat komt volgens hem doordat er geen vaststaande rituelen zijn voor het wegvallen van een huisdier. „Als je vrouw sterft, staat er voordat je kunt rouwen iemand voor de deur die je vertelt hoe duur de grafsteen wordt. Voor je bij je positieven bent, is het allemaal geregeld. Maar voor een dood dier hebben we geen rouwrituelen. Baasjes gaan daarom onhandige dingen ondernemen. Ze maken zichzelf wijs dat ze het dier voor altijd willen houden.” Maar dat gevoel verdwijnt als het rouwen voorbij is, zegt Dekkers. „Eerst komen ze diep bedroefd met hun dode Fiefie aanzetten. Maar als ze een paar maanden later hun geprepareerde Fiefie ophalen, hebben ze al een nieuwe Loeloe in huis.” Dat verklaart mede waarom veel baasjes ontevreden zijn met het resultaat, zegt Dekkers.

Preparateur Teurlincx ziet nog een andere reden. „Klanten willen geen opgezet product, ze willen hun dier terug”, zegt hij. „Het baasje kent de gelaatsuitdrukkingen van zijn dier van haver tot gort. Wát je als preparateur ook doet: dat kun je nooit precies namaken.”

Marcel Croese is wél blij. Door het opzetten van zijn kat heeft hij zijn „kameraadje weer terug”, zegt hij. „Ik ben 54 jaar, nu overleeft hij mij zelfs. Dat heeft-ie wel verdiend na zoveel jaren trouwe dienst.”

En dan? Gaat zijn kater toch onder de grond? Croese knikt. Hij gaat zijn testament zelfs aanpassen, zegt hij: „Poesie gaat met mij mee de kist in.”