Toen ik 4 was... had ik een aapje

Vroeger, toen ik vier jaar was, had ik een aapje. Een klein doodshoofdaapje. Het zat in een groot hok met tralies, op de binnenplaats achter ons huis.

Ik weet niet zeker of ik het me zelf kan herinneren, dat aapje, of dat ik het weet van de verhalen die mijn ouders er later over vertelden. Of van de films die mijn vader had gemaakt en die we eens per jaar bekeken op een groot scherm. Mijn ouders vertelden er dan bij dat het misschien wel een leuk idee leek, zo’n aapje, maar dat het vals was en beet. Het kwam nooit zijn hok uit en ik mocht er niet mee spelen.

Met mijn ouders woonde ik toen op Curaçao, een eiland in de buurt van Venezuela. Veel weet ik er niet meer van. Naast dat aapje herinner ik me nog dat ik mijn vierde verjaardag buiten vierde, in een jurk met korte mouwen. Voor mij is dat heel bijzonder, want ik ben jarig op 14 februari.

En ik weet nog dat mijn moeder vond dat ik door een duikbril moest kijken als we gingen zwemmen in zee. Omdat de vissen zulke mooie kleuren hadden. Maar dat wilde ik niet omdat ik het eng vond, die glibberbeesten. Helemaal niet erg hoor, om te zwemmen in water vol gekleurde vissen, maar ik hoefde ze liever niet te zien.

Toen ik vierenhalf was gingen we terug naar Nederland – zonder aapje, want dat zou het hier natuurlijk veel te koud hebben. Wat er met het aapje is gebeurd, weet ik niet. Dat heb ik nooit durven vragen.

Op mijn achttiende kwam ik voor het eerst weer op het eiland. Toen herinnerde ik me nog iets. De heerlijke natte warmte die je overvalt, zodra je uit het vliegtuig stapt. Ik begreep ook waarom ik het in Nederland bijna altijd koud heb.

Nog altijd denk ik: was ik maar wat ouder geweest dan vier. Dan had ik dat aapje vast wel tam kunnen maken. Of als het daar nou echt geen zin in had, in tam zijn, dan had ik het gewoon kunnen laten ontsnappen.