Kunst na de bankencrisis

Hoe gaan beeldend kunstenaars om met het ‘einde van de vooruitgang’? Twee exposities in New York geven twee antwoorden. Van handgeknoopt tapijt tot luistervinkende glazen.

Andrew Masullo, ‘5030’, 2008-10. Olieverf op doek, 61 × 76,2 cm. Foto Andrew Masullo; courtesy Daniel Weinberg Gallery, Los Angeles

Wat is het tegenovergestelde van vooruitgang? Het lijkt een rare vraag, maar de New Yorkse Whitney Biennial, de tweejaarlijkse vlootschouw van hedendaagse Amerikaanse kunst waaraan dit jaar 51 kunstenaars deelnemen, is er volledig van doortrokken. Het antwoord, op het eerste gezicht: nostalgie, weemoed, misschien zelfs wel verval. Deze ‘Whitney’ staat bol van kunstwerken die nadrukkelijk verwijzen naar het verleden, naar imperfectie, naar handwerk, naar ‘kunstenaars met een vlekje’. Naïeve schilderijen in vrolijke kleuren. Rommelige collages. Steentjes en botjes die lijken op prehistorische vondsten. Foto’s die niet ‘uitontwikkeld’ zijn.

Op het eerste gezicht is dat vrij vertederend, maar al snel besef je dat daaronder iets sluimert dat bijna de aanzet is tot een nieuwe ideologie: het idee dat hedendaagse kunstenaars zich niet meer per se hoeven bezig te houden met die vermaledijde, onbekende, onbeheersbare toekomst. Ze kunnen toch evengoed terug? Opvallend veel van de Whitney-deelnemers gaan op zoek naar beelden, ideeën, zelfs hele kunstenaars die niet zijn ‘besmet’ door het al eeuwen doordenderende artistieke verlangen naar vernieuwing en vooruitgang. Of beter: de Whitney-kunstenaars kijken nog wel vooruit, maar doen dat vooral door vergeten kunstenaars en verouderde vormen nieuw leven in te blazen. Op deze Whitney Biënnale blijkt het nieuwe oud en is het nieuwe nieuw. Of zoiets. Hallo, bent u daar nog?

Het beste voorbeeld daarvan is het werk waarover tot nu toe verreweg het meeste is gesproken en geschreven: de installatie Hearsay of the Soul van filmmaker Werner Herzog (Fitzcarraldo, Grizzly Man en tientallen andere). Hearsay... is een ode, nee, een lofzang, nee, één languissant lyrische liefdesverklaring aan het werk van de Nederlandse schilder, etser en tekenaar Hercules Segers (ca. 1589-1637). Die begint ermee dat Herzog (in een begeleidende tekst) stelt dat Segers volkomen is vergeten (hij is ‘nog nooit een curator uit een museum voor moderne kunst of een kunststudent [...] tegengekomen die hem kende’). Tegelijk merkt hij op dat Segers in zijn eigen tijd al een outsider was: volgens Herzog (die Samuel van Hoogstraten citeert) werden Segers’ prenten al tijdens zijn leven gebruikt om de vis in te verpakken.

Des te opmerkelijker is de manier waarop Herzog zijn ‘herontdekking’ vervolgens vormgeeft. Op vijf schermen, in een afgesloten zaal, toont hij schermgroot (delen van) Segers’ tekeningen en etsen. Die zijn inderdaad prachtig en on-zeventiende-eeuws wild: we zien wolken, golven van lijntjes en priegels en zware contrasten tussen licht en donker, die ‘romantische’ fantasielandschappen vormen waarvan je meteen beseft dat ze nooit zullen hebben bestaan buiten Segers’ rijke fantasie. Daaronder zet Herzog muziek: zowel Dank sei dir Gott van Händel als stukken van Herzogs favoriete musicus, de Nederlandse cellist Ernst Reijseger. Diens composities klinken niet alleen op de achtergrond, we zien Reijseger het stuk Shadow ook spelen, samen met organist Herman Fraanje: kale, pulserende, lyrische klanken, door Reijseger met een extatische blik uitgevoerd. Geen misverstand: het is allemaal onmiskenbaar prachtig en rillingverwekkend, maar hoezeer je ook je best doet, het valt met de beste wil van de wereld niet te bedenken wat deze uitbarstingen met het werk van de excentrieke zeventiende-eeuwer van doen hebben. Dat is een rare gewaarwording: de film loopt over van liefde en bewondering, maar uiteindelijk is het moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat Herzogs film meer gaat over zijn eigen bewondering en zijn ‘ontdekking’, dan over Segers zelf.

Visser in Texas

Maar Herzog is niet de enige. Zo hangt in het Whitney een paar zalen verderop een klein overzicht van schilderijen van de (ook al) min of meer vergeten Amerikaanse schilder Forrest Bess (1911-1977) – mooie, naïeve doekjes in heldere kleuren die vol zitten met door Bess zelfgeschapen symbolen. Maar aan de wand van Bess’ zaal hangt ook al een tekst van de (grote, beroemde) Amerikaanse kunstenaar Robert Gober die daarin de nadruk legt op Bess’ buitenstaanderschap: werkend als visser in Texas, alcoholist, zelfmutulant, paranoïde, schizofreen. En zo gaat het door met de ‘herontdekkingen’: de naïeve maar slimme abstracte schilderijen van Andrew Masullo (1957) bijvoorbeeld, het werk van een Indiaan die al jaren in de gevangenis zit en daar schilderijen van galopperende witte paarden maakt die nu ‘naar buiten worden gebracht’ door de Poolse Joanna Malinowska. En, op de rand van lulligheid: de Amerikaanse kunstenares Elaine Reichek (1943) wier pièce de résistance wordt gevormd door het enorme Paint me a Cavernous Waste Shore: een handgeknoopt wandtapijt van ruim acht vierkante meter waarin een perfecte kopie van Titiaans Bacchus en Ariadne is verwerkt – de hint naar al die zelf geborduurde Melkmeisjes en Nachtwachten van je bejaarde buurvrouw is onmogelijk te missen. Maar het is authentiek. Eerlijk. Weemoedig – en dus is het goed, suggereert deze Whitney. En het pijnlijke, rare, confronterende is: dat klopt nog ook. Deze Biënnale is kunsthistorisch een rommeltje, inhoudelijk is er van alles op aan te merken, maar toch voel je, besef je dat de organisatoren de geest van de tijd perfect te pakken hebben. Oké, soms gaan ze wat ver (de borduurwerken en tapijten), maar het zoeken naar nieuwe interpretaties in het verleden, naar nieuwe authenticiteit voelt, nou ja, verrassend hedendaags. Pijnlijk hedendaags kun je ook zeggen.

Afkeer van vooruitgang

Het belangrijkste aan deze tentoonstelling is natuurlijk dat deze Whitney hiermee precies een beeld geeft van een ontwikkeling die al lang in de lucht hing. Steeds meer kunstenaars keren zich af van het streven naar vooruitgang, naar perfectie, naar groter en beter – om te zien waar dat toe leidt, hoeven ze alleen maar met een schuin oog naar de bankencrisis te kijken. Niet voor niets verhoudt deze Whitney-kunst zich moeizaam tot de markt, onttrekken veel werken zich nadrukkelijk aan de materiële en financiële ‘ratrace’.

Maar, en dat is de crux, tegelijk onttrekken ze zich niet aan het verlangen iets nieuws te maken, de wereld beelden, ideeën te tonen die nog nooit zijn gezien of bedacht – nog altijd de essentie van de kunst. Alleen: met een blik op de doorgeschoten maatschappij kiezen ze er nu steeds vaker voor oude vormen van nieuwe betekenis te voorzien – noem het een soort kunstrecycling. Die ook nog eens het voordeel heeft dat op deze manier de westerse cultuur, de kunstgeschiedenis als geheel, in retrospectief steeds rijker en voller wordt: deze Whitney lijkt tegelijk een nieuwe soort archeologie om de eigen westerse geschiedenis te propageren. Waarom zou je het elders of in de toekomst halen wat onder je voeten, in de depots van de musea en de kelders van de vergeten kunstenaars al ligt te wachten? Het maakt deze Biënnale tot een confronterende ervaring: je voelt voortdurend aan je water hoe modieus dit allemaal is, hoe groot de kans is dat we er over twintig jaar lacherig op zullen terugkijken (‘Ha! De beruchte post-bankencrisiskunst!’) maar nu is het goed. Gepast. Prettig. Al is het maar voor even. Vernieuwende nostalgie – wat wil je nog meer?

Geld en vooruitgang

Hoe goed deze Whitney Biennial in de tijdgeest pas, merk je als je doormetroot naar de andere grote New Yorkse tentoonstelling van dit moment: de Triennial in het New Museum die wordt gehouden onder de titel The Ungovernables. Deze expositie is min of meer complementair aan de Whitney Biënnale: in het New Museum wordt vooral werk getoond van kunstenaars die het liefst zo min mogelijk uit de westerse wereld afkomstig zijn. Met het Whitney-retrogevoel in je achterhoofd moet je hier even stevig in je ogen wrijven: alsof je een minuscuul stapje terug in de geschiedenis hebt gemaakt, naar vlak voor de crisis. De kunstenaars uit Vietnam, Koeweit, Colombia en Egypte lijken nauwelijks door de tijdgeest, de crisis en de twijfel aan de kunst geraakt – en hoe langer je rondloopt door het New Museum, hoe beter je beseft dat dat voor een groot deel ook gewoon zo is. Voor deze kunstenaars zijn de erfenis van het modernisme, het streven naar perfectie en vernieuwing, bij uitstek waarden die kunst uniek en bijzonder maken, waarom ze kunst maken, en waarmee ze niet alleen kunnen ontstijgen aan de beperking van hun eigen cultuur, maar ook nog eens aansluiting kunnen vinden bij de internationale taal van geld en vooruitgang. Daardoor is The Ungovernables voor een westerse toeschouwer (met de Whitney achter de kiezen) wel een tweede ongemakkelijke ervaring: het kost onmiskenbaar moeite om niet paternalistisch vertederd te worden over zoveel optimisme, over de verwachting die deze kunstenaars nog hebben – en tegelijk word je bijna misselijk van je eigen zelfingenomenheid en desillusie.

Neem de prachtige installatie Eavesdroping van Amalia Pica waarvoor ze tientallen (gevonden) glazen van verschillende kleuren als ‘luistervinken’ op de muur plakte – niks mis mee, toch? Of de geweldige video Jewel van Hassan Khan, waarin we twee Arabische mannen zeer aanstekelijk zien dansen op een Arabische beat en die tegelijk een humoristisch commentaar geeft op de man-vrouwverhouding in de Arabische cultuur – waarom niet?

Precies het feit dat er plotseling iets naïefs om zulke werken hangt, geeft heel goed aan hoe groot de verwarring nu soms is in de westerse kunst, in ‘onze’ cultuur. Wie heeft er nu eigenlijk het beste antwoord op de vraag hoe je omgaat met het ‘einde van de vooruitgang’? De westerse kunstenaars die extatisch terugkijken, of juist de Arabieren, Zuid-Amerikanen en enkele Canadese die het vizier strak, maar kritisch op de toekomst gericht houden? Het is verwarrend, maar intrigerend: oud en nieuw, conservatief en modern, westers en niet-westers zijn in een prachtige, verwarrende kluts geraakt waar niemand werkelijk een weg uit lijkt te weten. Misschien staat er wel iets te gebeuren, snel.

‘Whitney Biennial’. T/m 27 mei in het Whitney Museum of American Art, 945 Madison Avenue, New York. Inl: whitney.org. ‘The Ungovernables, the New Museum Triennial’. T/m 22 april in het New Museum, 235 Bowery, New York. Inl: newmuseum.org