Johan Simons laat liefde bloeien op de puinhopen

Johan Simons vertrok in 2010 naar München. Deze week speelt zijn Duitse gezelschap in Amsterdam. Een hernieuwde kennismaking met de theatermaker.

De Val van de Goden, Hollandia regie Johan Simons en Paul Koek vlnr. Jeroen Willems, Elsie de Brauw- Foto Ben van Duin Ben van Duin

Met de poten in de modder, zo begon het. Niet alleen voor Johan Simons zelf, de ‘omhooggevallen boerenzoon’ uit Heerjansdam zoals hij licht romantiserend placht te zeggen. Ook voor zijn befaamde toneelgezelschap Hollandia, dat vanaf halverwege de jaren tachtig het toneel naar buiten bracht. Naar verlaten fabriekshallen, autosloperijen, tuinderskassen, kerken, een sluis, een oude wapenopslag of half in het zand verdwenen bunkers. Publiek nam plaats op strobalen, afgedankte banken of sloopauto’s. Spelers plonsden over de vochtige vloer. Ze dansten met de ruimte, à l’improviste, en elke keer anders. Toneel als jazz. De schouwburg een swingende boerenschuur.

Simons maakte soms letterlijk boerentoneel, met voorstellingen als Boeren Sterven (1988) en Varkens/Boeren (2001). Soms ook overdrachtelijk, zoals hij lonkte naar het volkstoneel met groteske uitdossingen en vet, fysiek spel. Voorstellingen als Lulu of de Leenane-trilogie waren direct, aards en menselijk. Gewelddadig, grof, plat soms. Voorstellingen dicht op de huid, dicht op het vlees, op het bloed.

Dicht op de tijd ook. Want de maatschappelijke actualiteit is in Simons’ werk nooit ver weg – of het nu varkenspest is, gentechnologie, de kredietcrises of de Europese eenwording. Naast zijn harde, aardse voorstellingen over mens, maatschappij en geweld, zijn er de mildere, intiemere over de liefde: La Musica Twee (1991), of Sentimenti (2003). Later volgden revolutionaire toneelbewerkingen van romans: De Asielzoeker, Platform, Elementaire Deeltjes. Hij klopt de boeken ‘lekker los’, volgens de critici, of balt ze juist ‘krachtig samen’.

Met de fusie van Hollandia en het Zuidelijk Toneel (tot ZT Hollandia in 2001) komt de schouwburg weer in beeld. Maar onder zijn voorwaarden. Zijn spelers veroveren de ruimte, verbouwen die, vechten met obstakels. Zo brengt Simons de geest van zijn buitentoneel naar binnen. Na ZT Hollandia volgt NTGent (2005) en in een periode als veelgevraagd gastregisseur in Europa ontwikkelt hij groots, politiek theater over Europese thema’s, zoals Fort Europa (2001) en Hotel Savoy (2010). Die laatste is zijn eerste voorstelling als intendant van de Münchner Kammerspiele: in 2010 verruilt Simons de Nederlandse modder voor München.

Deze week presenteert zijn Duitse gezelschap zich in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Daarom een hernieuwde kennismaking: Johan Simons in zijn acht opvallendste stukken.

De boerendrama’s

Johan Simons is de eerste theatermaker die het drama van de boer in de hedendaagse maatschappij op toneel brengt. Boeren sterven (1988) van de Duitse auteur Franz Xaver Kroetz is zo’n voorstelling waarvoor de toeschouwer ver de modderige wegen op moest gaan. Zitplaatsen van strobalen. Acteurs stevig geplant in de grond, verbonden met de aarde, met dieren. Een van de redenen dat Hollandia theater op het land wilde maken, is om een ander publiek te bereiken, om ertoe te doen buiten het kunstcircuit. Maar als Simons zelf de landweg oprijdt voor aanvang van de voorstelling staat een lange rij Mercedessen en BMW’s op de parkeerplaats. Het theaterpubliek dat normaal naar de schouwburg ging, volgde hem.

Prometheus (1989)

Simons situeerde de klassieke tragedie in een autosloperij in Westzaan. Plaats van handeling in het stuk is „een verlaten rots aan het einde van de wereld”. Daar leek de autosloperij zich inderdaad te bevinden. Overal sloopauto’s en autowrakken – de auto, toonbeeld van menselijk vernuft, afgedankt als oud roest. De ruiten verbrijzeld; een ongeval? Prometheus wordt gestraft omdat hij het vuur van de goden stal en aan de mens gaf. Is dit dan hoe het afloopt, met de mens en het vuur?

Het zijn vragen die een bezoeker aan de reguliere schouwburg nooit zal stellen. Ook de band tussen spelers en toeschouwers wordt sterker op locatie dan in de schouwburgzaal. We bevinden ons in dezelfde rauwe entourage. Bij Prometheus was de tribune gemonteerd op de autowrakken. Gezeten op de verwrongen motorkap van een Renault 16 nemen je gedachten je automatisch mee. Wat is er met die auto gebeurd? Is de inzittenden iets overkomen?

La Musica Twee (1991)

Een houten kerk uit 1731 in Westzaan is het decor voor Marguerite Duras’ La Musica Twee. Het gewijde interieur met houten zuilen en koperen kaarsenkronen moet de lounge van een hotel voorstellen. Weggedoken tegen een pilaar spelen Jeroen Willems en Betty Schuurman een verstild liefdesduet. Een man en een vrouw, eind dertig, besluiten na hun scheiding te logeren in het hotel waarin ze verbleven toen hun liefde nog pril was. Wat is er gebeurd? Waarom zijn ze uit elkaar gegaan?

In 2003 hernam Simons de voorstelling in een gewone theaterzaal. Maar de kracht was nauwelijks minder. Voldeed in de beginjaren van Hollandia vaak het dwingende, overheersende effect van de locatie, later zocht Simons nieuwe wegen: hij regisseerde met meer psychologie en inleving. Waren de personages op de locatievoorstellingen, zoals Prometheus en de boerendrama’s eenzame, geïsoleerde figuren die moeten vechten tegen een almachtige omgeving, in later werk laat hij juist de onderlinge verbondenheid tussen individuen zien.

Lulu (1994)

Bij Johan Simons werd Frank Wedekinds geraffineerde femme fatale een terloopse verleidster. Met vet aangezet, fysiek spel zette Betty Schuurman een vrouw neer die sexy is ondanks zichzelf. Haar Lulu was spontaan en primitief, als vanzelf wulps en wellustig – een vrouw die niet anders kan dan toegeven aan haar natuur, met alle desastreuze gevolgen van dien.

Simons situeerde zijn Lulu in een voormalige wapenopslag in Brussel: een immense loods van bijna zeventig meter breed. Dat paste bij het „onmogelijke stuk”, dat volgens Simons „lang en groot, en niet altijd even helder”is. Die kenmerken, vond de regisseur, had die locatie ook.

Twee Stemmen (1997)

Twee Stemmen van Pier Paolo Pasolini bestaat uit een reeks glasheldere portretten van machthebbers. Acteur Jeroen Willems speelt zes personages: staatslieden, grootindustriëlen en managers. In een reeks monologen toont hij hun morele verval. Regisseur Simons plaatst Willems aan een restauranttafel met zes stoelen; telkens schuift hij een plaats op om een nieuw personage te vertolken. Steeds genadelozer en ontluisterender tonen Simons en Willems de personages en hun malafide woekeringen in de wereld van het kapitalisme. Willems speelt de monoloog al vijftien jaar wereldwijd, met veel succes. Op 9 en 10 mei zal de voorstelling te zien zijn in de Haarlemse Toneelschuur.

De val van de Goden (1999)

In de Van Nelle Fabriek in Rotterdam schoof het publiek voor dit stuk naar Visconti’s The Damned eerst aan aan grove houten tafels voor een stevig maal van gans met zuurkool. Daarna vertolkten zes acteurs met diverse dubbelrollen de tientallen personages in dit grootse epos over de familie Krupp in het vooroorlogse Duitsland. Spannend, ontroerend en monumentaal.

Elsie de Brauw was weergaloos als enerzijds het slachtoffer dat eindigt in een concentratiekamp en anderzijds de wellustige, moorddadige matriarch van de familie. Deze Hollandia-productie kreeg een Duitse remake, die internationaal succes oogstte. Als La Chute des Dieux speelde het gezelschap de voorstelling op het theaterfestival van Avignon. De Franse kritiek was juichend. Le Monde roemde de „ijzige, knarsende, kristalachtige stijl” van Hollandia. Dit was „toneel van de wrijving [...] Oncomfortabel theater, dat eerder zoekt naar meningsverschil dan naar harmonie.” Met deze Duitse en Franse triomfen begon Simons’ internationale opmars.

De Leenane-trilogie (2001)

Met deze voorstelling vertaalde Simons het majestueuze effect dat de buitenlocatie zijn vroege werk gaf, met succes naar de schouwburg. Op de achtergrond van het toneel een schimmige, duistere bunker, de vloer bezaaid met kurksnippers, als korrels potgrond. Verder zakken aarde en oliekachels. Felle bouwlampen versterkten de hardheid. Zo werd schouwburg weer bollenschuur.

In de Leenane-trilogie smeedde Simons drie stukken van de Ierse schrijver Martin McDonagh aaneen tot een vier uur durend epos, over dronkenschap, desillusie en degeneratie. Een dorp als (het echt bestaande) Leenane verlaat je alleen dood. Bewoners leven verpauperd en in isolement, drinken zich naar de vergetelheid, slaan elkaar de hersens in. De acteurs schreeuwen, schelden, knokken en komen slechts zo nu en dan tot rust. Ze stoeien met decorstukken. De kurksnippers spatten spectaculair op bij een gevecht. Dat is Johan Simons in de schouwburg: hij werkt niet ín, maar mét het decor.

Platform (2005)

Hoewel Simons het locatietheater intussen definitief heeft verruild voor schouwburgtoneel heeft zijn regie van Platform, naar het boek van Michel Houellebecq, toch een locatie-achtige wildheid. De voorstelling ging in première in het klassieke lijsttoneel van de Gentse Schouwburg. Het begon met een enorme explosie: vanuit de nok van het gebouw tuimelden plastic stoelen, stukken hout en allerhande rommel naar beneden. Plaats van handeling is een exotisch seksparadijs in Thailand, dat getroffen wordt door een bomaanslag. In deze wanorde schept Simons zijn nieuwe orde, waarin zuivere liefde en seks voor geld het dramatische contrast vormen. Liefde bloeit op de puinhopen. En weer maakt Simons dat de toeschouwer de statige entourage van de negentiende-eeuwse schouwburg geheel vergeet.