'Ja, er kunnen vooroordelen zijn'

Rechters straffen verdachten met een ‘buitenlands uiterlijk’ strenger. Rechter Avedissian zegt daarover: „Huidskleur speelt geen rol.” Maar ook: „Een rechter is een mens.”

„Natuurlijk proberen we als rechter gelijke gevallen zoveel mogelijk gelijk te behandelen”, zegt Takvor Avedissian. Hij is sinds 2007 strafrechter in Haarlem, daarvoor werkte hij als rechter in Rotterdam. Maar, zegt Takvor Avedissian ook, dat lukt niet altíjd. „Dit onderzoek nemen we serieus. We moeten hier vervolgonderzoek naar doen.”

Gisteren bleek uit onderzoek van criminologen van de Universiteit Leiden dat politierechters verdachten met een ‘buitenlands uiterlijk’ strenger straffen dan Nederlanders. Vooral als die verdachten geen Nederlands spreken. Verdachten met een ‘buitenlands’ uiterlijk hebben een vijf keer hogere kans op onvoorwaardelijke celstraf dan Nederlanders, in plaats van een werkstraf of boete. Zijn ze ook het Nederlands niet machtig, dan lopen ze een twintig keer hogere kans op een vrijheidsstraf.

Discrimineert u?

„Nee. Laat ik daar kort op zijn. Huidskleur speelt geen rol. En ook een taalbarrière niet: mijn ervaring uit de rechtszaal is dat tolken uitstekend in staat zijn die barrière te overbruggen.”

Toch zijn verschillen in taal en uiterlijk volgens het onderzoek factoren die ervoor zorgen dat buitenlanders een grotere kans op een celstraf lopen.

„In mijn ervaring spelen vele factoren een rol in de strafbepaling. Taal en uiterlijk zijn er volgens dit onderzoek kennelijk twee. Dat nemen wij serieus, maar we moeten echt uitzoeken hoe dit in de praktijk zit. Want er zijn heel veel omstandigheden die meespelen: heeft iemand een vaste woon- of verblijfplaats, welk type delict heeft de verdachte gepleegd, heeft de verdachte een baan en een gezin? Het is te vroeg om er conclusies aan te verbinden dat déze twee factoren die de onderzoekers noemen, bepalend zijn.

„Ik kan geen percentages noemen, maar ik weet wel dat in grote steden en op de rechtbank bij Schiphol bijvoorbeeld, vaak verdachten op zitting komen die dakloos zijn, geen baan hebben en geen inkomen. Daar kan de reclassering ook niks mee. Er zijn dan geen alternatieve strafmogelijkheden. Iets wat voor iemand die in Nederland woont, een gezin en een baan heeft, wel het geval is.”

U bent Armeens, speelt uw eigen achtergrond een rol?

„Nee, mijn eigen achtergrond is niet relevant. Wel kan ik u zeggen: een rechter is een mens, dus ja, er kunnen vooroordelen zijn. Dat kan, en daarvan proberen rechters zich ook zeer bewust te zijn. In onze opleiding en onder collega’s spreken we elkaar daar ook op aan, mochten we irritatie bij elkaar merken, of een mogelijk bestaan van vooroordelen.”

Wanneer merkt u bij uzelf emoties?

„Bijvoorbeeld bij een zware geweldszaak of een zedenzaak. Ik ben zelf ook vader, dus dat kan binnenkomen. Zodra ik bij mezelf irritatie of ongemak merk, stel ik mezelf de vraag of ik nog objectief kan zijn. Dan schors ik de zitting even, om een metapositie aan te nemen en alles eventjes rustig op een rij te zetten. Dan bespreek ik dat met collega’s, of met de griffier die je ook een spiegel kan voorhouden. Op de eigenschap om daarop scherp te zijn, worden wij ook geselecteerd en getraind.

„Als ik tot het oordeel kom dat ik de zaak niet meer zonder te veel irritatie of emotie kan doen, doe ik de zaak aan een ander over. Maar dat overkomt me zelden. Ik denk dat het me in de afgelopen dertien jaar misschien drie of vier keer is overkomen, dat ik dacht: even opletten, dit is wel erg heftig.”