In de Wagner-vereniging wordt de Duitse ziel geraakt

Er zijn onderwerpen die je als correspondent uit de weg gaat. Omdat ze zo groot zijn of juist zo klein. Of omdat ze ingewikkeld en onbegrijpelijk zijn, wat in Duitsland nogal eens voorkomt. Voor de muziek van Richard Wagner heb ik me jarenlang gedrukt. Gecompliceerd, megalomaan, hysterisch. Dat is me te Duits, dacht ik – en liep met een grote boog om Wagner heen. Een beetje terughoudendheid leek me gepast bij zoveel Teutoons geweld.

Van alle cultuuruitingen weerspiegelt muziek het beste de Duitse ziel. „Kan men musicus zijn zonder Duits te zijn?”, vroeg schrijver Thomas Mann zich retorisch af in zijn polemische werk Betrachtungen eines Unpolitischen. Richard Wagner ís de Duitse ziel, vond de componist zelf. Daarover is menig boek geschreven, en of het nu waar is of niet: Wagner neemt een prominente plek in het zielenleven van veel Duitsers in.

Natuurlijk heb ook ik uiteindelijk Wagner ontdekt. Je kunt niet in Duitsland wonen zonder een opera van hem te hebben bijgewoond. Bij ons zijn het er inmiddels een aantal geworden. Na de vierdelige cyclus Der Ring des Nibelungen – zestien uur muziek in de beroemde ‘tunnelenscenering’ van Götz Friedrich – en Tristan und Isolde voelen we ons nu Wagner-routiniers. Ik zeg het eerlijk: het was alle keren een hele zit.

En toch heb ik er als muzikale buitenstaander van genoten. Mijn vooroordelen zijn niet helemaal verdwenen, maar ik begrijp nu beter wat Thomas Mann destijds bedoelde. En ik heb er een mooi Duits woord aan overgehouden: het in Wagner-teksten veelgebruikte Wonne, wat gelukzaligheid of hoogste genot betekent. Wat moet die man gelukkig zijn geweest toen hij zijn libretto’s schreef.

Bij de uitvoering van Tristan und Isolde in de Deutsche Oper in Berlijn troffen we in de pauzes ter hoogte van de centrale bar een standje aan van het Richard Wagner Verband Berlin-Brandenburg, „een vereniging die begrip voor Wagners werk wil wekken en het inzicht erin wil verdiepen”, zoals een enthousiaste jongeman me vertelde. Hij deelde aan de operabezoekers het verenigingsblad Musik und Drama uit, een titel die niet beter gekozen had kunnen zijn.

Er hadden zich wat mensen rond de tafel van de Wagner-club verzameld. Zoals dat in Duitsland gaat, ontspon zich een gesprek op hoog niveau over de opgevoerde opera. Een man vond dat de vertolker van Tristan, de bekende Duitse tenor Peter Seiffert, z’n avond niet had. „Dat moet gepassioneerder. Ik heb Seiffert in de Tannhäuser in Bayreuth gezien. Daar had zijn timbre veel meer kleur.” In het Zuid-Duitse Bayreuth worden jaarlijks de Wagner Festspiele gehouden. Wie daar is geweest, kan echt over Wagner meepraten.

De discussie verdiepte zich. Al snel was er voor mij geen touw meer aan vast te knopen. Maar dat gaf niets. Ik had evengoed het gevoel dat ik erbij hoorde. Dat ik deel uitmaakte van de Duitse ziel, al was het maar kort. Dit gevoel kwam later terug toen ik het verenigingsblad Musik und Drama las. Hierin vermengt Duitse degelijkheid op muziekgebied zich met ongeremde Wagner-verering. De auteurs mijden overzicht en uitleg, en gaan met veel details de diepte in. Wat de moeilijke teksten nog onbegrijpelijker maakt. En toch word je als lezer meegesleept en opgenomen in een uniek stukje Duitse cultuur.

Ik ben meteen lid geworden.