Gouden coach speelt nu degradatiehockey

Hockeycoach Marc Lammers heeft de bijna onmogelijke opdracht de mannen van Den Bosch te behoeden voor degradatie. „Bij elke andere club had ik ‘nee’ gezegd.”

Marc Lammers, zondag langs de lijn tegen Pinoké (3-3): „Ik kan ze met meer lef laten spelen.” Foto Bas Czerwinski

Marc Lammers (43) is terug van weggeweest op de Nederlandse hockeyvelden. De coach die in 2008 met de Nederlandse hockeyvrouwen olympisch kampioen werd in Peking en zich daarna stortte in het lezingencircuit en het bedrijfsleven, is na de winterstop begonnen aan wat hij zelf omschrijft als zijn moeilijkste klus ooit.

Lammers is sinds januari coach van de hockeymannen van Den Bosch, hekkensluiter in de hoofdklasse. Afgelopen zondag leek Den Bosch voor het eerst dit seizoen te winnen – tegen Pinoké thuis. In de laatste minuut gaf de ploeg van Lammers de voorsprong toch nog weg. Naaste concurrent Hurley won wel, waardoor de achterstand met nog acht wedstrijden te spelen is opgelopen tot negen punten. Degradatie dreigt.

Waarom bent u aan deze klus begonnen?

„Den Bosch is mijn club. Mijn vader is hier horecamanager, mijn kinderen lopen er rond en ik kom hier ook elke dag sinds mijn zevende. Bij elke andere club had ik waarschijnlijk ‘nee’ gezegd, maar omdat mijn club in de problemen zat, vond ik dat ik moest helpen. Ook omdat ik later geen spijt zou krijgen dat ik niet mijn steentje had bijgedragen.”

Degradatie lijkt onafwendbaar, met zoveel punten achterstand.

„Het is zonder enige twijfel de moeilijkste missie waar ik ooit aan ben begonnen. Maar goed, in films lukken die onmogelijke missies ook altijd. Het is wel zo dat Den Bosch niet voor niets onderaan staat. De eerste seizoenshelft namen we te veel risico’s. Ongecontroleerd aanvallen zonder zekerheid in te bouwen. Ik probeer meer structuur aan te brengen, zodat iedereen weet waar hij aan toe is en wat hij moet doen in het veld. Dat gaat nu steeds beter.”

U heeft getekend voor vier maanden bij Den Bosch. Wat kan een trainer in zo’n korte tijd toevoegen?

„Vooral op het mentale vlak is winst te behalen. Ik kan die spelers in een paar maanden tijd niet beter laten hockeyen. Ik kan er wel voor zorgen dat ze meer zelfvertrouwen krijgen, waardoor ze met meer lef en durf gaan hockeyen.”

U was acht jaar bondscoach van de Nederlandse hockeyvrouwen, die in die periode bijna alles wonnen wat er te winnen viel. Nu bent u coach van een degradatiekandidaat in de mannenhoofdklasse. Hoe groot zijn de verschillen?

„Dat valt wel mee. Het grootste verschil is dat je bij een landenteam veel duidelijker naar een eindpunt toe werkt en daar de tijd voor hebt. Bij een club moet je elke week presteren en is er minder ruimte om de lange termijn in de gaten te houden.”

Hoe groot is het verschil in coaching van mannen en vrouwen?

„Dat verschil wordt wat mij betreft overdreven. Veel is hetzelfde bij mannen en vrouwen. Het grootste verschil zit in de communicatie. Tegen mannen kan je wat harder en directer zijn, terwijl je bij vrouwen vaak moet oppassen wat je zegt. Maar zolang je dat beseft, maakt het echt niet uit of je nu de mannen of de vrouwen traint. Kijk naar [collega-coaches] Ric Charlesworth en Markus Weise, bij Australië en Duitsland succesvol bij de mannen én de vrouwen.”

Gebrek aan ervaring bij de mannen is voor u geen obstakel om bondscoach bij de mannen te worden?

„Ik ben daar helemaal niet mee bezig. Het is wel zo dat mijn ambities niet op clubniveau liggen, maar bij een land. Maar ik zit niet af te wachten tot het belletje komt met de vraag of ik bondscoach wil worden. Ik kijk wel wat op mijn pad komt, en pas als die vraag gesteld wordt, ga ik er serieus over nadenken.”