Een goede schoolcarrière begint bij u thuis

Na haar oproep tot meer betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen, gaat de minister met ze in gesprek. „Ze willen wel, maar ze kunnen niet.”

Hij spreekt allesbehalve vlekkeloos Nederlands. Toch maakt Hassan Al Salmi naar eigen zeggen vorderingen, de laatste tijd meer dan ooit. Met dank aan zijn drie schoolgaande kinderen, die niet schromen om hun Marokkaans-Nederlandse vader thuis te corrigeren. „Soms wel twee keer per week”, grijnst hij.

Minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) hoort het verhaal van Al Salmi goedkeurend aan. „Zo, dat is mooi!” Haar oproep voor meer ouderbetrokkenheid in het onderwijs sorteert in de Utrechtse achterstandswijk Kanaleneiland een onverwacht maar positief neveneffect, zoveel is duidelijk. Als ouders zich nadrukkelijk(er) met de schoolprestaties van hun kinderen bemoeien, profiteren zij ook van de vorderingen. Het stemt de minister zichtbaar tevreden. „Dit vind ik heel fijn om te horen.”

Gezeten op een houten stoeltje in een klaslokaal van de brede school Hart van Noord praat Van Bijsterveldt deze middag met vijf allochtone ouders, onder wie twee vrouwen die een hoofddoek dragen. Inzet van het gesprek: het nut en de noodzaak van ouderbetrokkenheid. Te veel ouders kijken tegenwoordig de andere kant op, meent Van Bijsterveldt, en schuiven de verantwoordelijkheid voor hun kinderen volledig af op de leraar of de lerares. Schoolprestaties lijden onder die apathie. „Een goede schoolcarrière begint thuis”, luidt het motto van Van Bijsterveldt. Door af en toe eens voor te lezen bijvoorbeeld, of samen woordjes te oefenen aan de keukentafel.

Om die boodschap kracht bij te zetten, gaat de bewindsvrouw sinds begin dit jaar eens in de twee weken het gesprek aan met ouders. „Ik wil horen en weten wat er leeft op de werkvloer.” Vandaag is Utrecht aan de beurt. Komend najaar sluit zij haar tournee door het land af met een conferentie over de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs. Van Bijsterveldt spreekt nu al van een succes. „Ouders willen over het algemeen wel en erkennen het nut van betrokkenheid, maar moeten soms een handje worden geholpen”, zegt ze na afloop op de gang.

Toch stak drie maanden geleden een storm van kritiek op, toen Van Bijsterveldt in een brief aan de Tweede Kamer ijverde voor meer ouderparticipatie. „Waar bemoeit de minister zich mee?” en „we doen al zo veel” waren de meest gehoorde klachten. Of wil de minister soms dat moeders massaal hun (parttime)banen opzeggen om zich volledig te wijden aan de zorg voor hun kinderen?

Niets van die kritiek op Van Bijsterveldt in Utrecht. Heel goed, dat de minister ouders aanspoort tot meer bemoeizucht, is vanmiddag de opvallend eensluidende mening in het klaslokaaltje.

Taal en cultuur vormen een obstakel, benadrukt Omar Benali. Hij is lid van de ouderraad van openbare basisschool De Panda in Utrecht. „Bij veel Marokkaanse ouders is de gezinssituatie chaotisch georganiseerd, ze weten niet hoe ze hun kind thuis kunnen helpen”, zegt Benali. Als ze dat al weten, dan worden ze in veel gevallen gehinderd door hun gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, constateert hij. „Ze zijn niet in staat om hun kinderen de taal te leren. Ze willen het wel, maar kunnen het gewoon niet.”

Benali’s oplossing: stel de ouderraad financieel in staat om cursussen te verzorgen, zodat ouders geleerd wordt hoe zij hun kinderen kunnen bijstaan. „Daar hebben ze meer aan dan op school een keertje meehelpen bij de viering van Sinterklaas of het Suikerfeest.” Zijn voorstel bespreekt hij binnenkort met onderwijswethouder Jeroen Kreijkamp (D66), zegt hij. Van Bijsterveldt, instemmend: „Heel goed, dat juich ik toe.”

Toch mogen taal en cultuur geen excuus zijn om afzijdig te blijven, vinden de vijf ouders stuk voor stuk. „Het kind moet thuis centraal staan”, zegt Hassan Al Salmi. Laat ze daarom zo min mogelijk naar Turkse of Arabische tv-zenders kijken, vindt hij. „Dus voor acht uur ’s avonds geen Al Jazeera.” Zelf geeft hij thuis het goede voorbeeld.

Jamna Zouaghi, moeder van twee schoolgaande kinderen, vertelt Van Bijsterveldt dat veel Marokkaanse ouders sowieso nauwelijks „leuke dingen doen” met hun kinderen. „Ze sturen ze liever de straat op en daar leren ze vooral verkeerde dingen.”

Maar wat kan de overheid doen, vraagt Van Bijsterveldt tegen het einde van het gesprek. Al Salmi weet het antwoord: „Je moet ouders dwingen, want de meesten zijn heel nonchalant.” Scholen moeten volgens hem „harde afspraken” maken met ouders en die vastleggen, zoals dat in Rotterdam op sommige scholen al gebeurt.

Van Bijsterveldt is na afloop de eerste om te beseffen dat ze vandaag „geen representatief beeld” heeft gekregen. De ouders die hier op af komen, zijn de ouders die al betrokken zijn. „Maar met deze signalen kan ik wel wat. De afwezigheid van ouders is voor een belangrijk deel ook cultureel bepaald. Daar moeten we wat mee.”