Dichte deur

Onlangs nam ik tramlijn 17 die van Osdorp naar het Centraal Station van Amsterdam voert. Het was ’s avonds om een uur of tien en ik bevond me ter hoogte van de Sloterplas in West. De tram werd bij elke halte voller, vooral met Marokkaanse Nederlanders en Surinamers.

Het was vreemd, zo’n tjokvolle tram midden op de avond, vooral omdat het geen koopavond was. Toch zou ik er geen acht op hebben geslagen als de dialoog tussen twee Surinaamse vrouwen aan de andere zijde van het gangpad me ontgaan was. „Is het niet vreselijk dat ze die tram aan de achterkant sluiten?” zei de oudste van de twee.

„Onbegrijpelijk”, zei de ander, „dat flikken ze tegenwoordig zó vaak.”

Ze klaagden luidkeels door, zoals mensen doen die er een behagen in scheppen kwaad te zijn. De verontwaardiging als bestaansreden. Toen ik hun kant opkeek, werd ik in het gesprek betrokken. „Heeft u het gezien?” vroeg de oudste, terwijl ze naar achteren wees, „het is een schande.”

Ik rekte mijn hals en zag dat de ruimte rechts van de conducteurscabine was afgesloten. Het gevolg was dat zich rond de cabine en in het gangpad een stuwmeer van staande passagiers vormde. Alle zitplaatsen waren bezet. De mensen keken verbaasd en boos naar de glazen deur die het achterdeel afsloot. „Doe die deur open!” riepen ze naar de conducteur, een man van middelbare leeftijd, in zijn hok. „Waar is dit goed voor? We hebben betaald!”

De Surinaamse vrouwen naast mij voedden de onvrede door bij elke halte nieuwe passagiers met het heerlijke onrecht te confronteren. „Heeft u het gezien? Dáárom kunt u niet zitten! Ze doen maar wat!”

„Zou het misschien voor de veiligheid zijn?” vroeg ik voorzichtig. De jongste Surinaamse keek me aan alsof ik een stiekeme afgezant van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf (GVB) was. „Welnee”, zei ze, „wat heeft dat nou met veiligheid te maken?”

Dat was inderdaad enigszins de vraag, omdat de situatie rond de conducteurscabine uit de hand begon te lopen. De verlangde veiligheid leek in haar tegendeel te verkeren. Vooral de jonge passagiers lieten zich gelden. Ze veroorzaakten een dreigende oploop naar de cabine, er werd geroepen en gebruld en tegen de wanden van de cabine geslagen. Als ik die conducteur was, zou ik nu in gedachten een kruis slaan, hoe ongelovig ik ook was.

„Hij zegt dat hij geen sleutel heeft”, hoorde ik iemand roepen. Het werd als excuus niet aanvaard. Ik vroeg me af of het tijd werd de opgefokte groep aan zijn lot over te laten, maar we naderden al de Rozengracht en het begon rustiger te worden omdat veel reizigers de tram inmiddels hadden verlaten. Even later bereikte ik ook zelf met een zucht van verlichting mijn plaats van bestemming.

Mijn fantasie deed de rest: de conducteur, uit zijn hok gesleurd door razende passagiers. Was het niet spelen met vuur geweest, dat afsluiten van het achterdeel? Het is 2012, we leven in Nederland, de mensen „pikken het niet meer”.

Ik belde voor opheldering naar het GVB. Ik had verwacht op een muur van zwijgen te stuiten, maar dat viel reuze mee. Men zocht de zaak binnen een dag uit en berichtte mij dat de bewuste conducteur zich niet aan de regels had gehouden. Het afsluiten van het achterdeel omwille van de veiligheid is toegestaan, maar moet ongedaan worden gemaakt zodra de drukte te groot wordt.

Zijn hang naar veiligheid had die conducteur fataal kunnen worden.