Column

Democratie versus Europa

Van Helmut Kohl, die van 1982 tot 1998 bondskanselier was, is het woord dat Europa niet Duits, maar Duitsland Europees moet worden. Geldt dit nu, onder zijn opvolgster en partijgenote Angela Merkel, nog? Met deze vraag houdt zich Tom de Bruijn bezig in een artikel in het maartnummer van de Internationale Spectator, en als iemand daartoe bevoegd is, dan is hij het wel, want hij was van 2003 tot 2011 Nederlands permanente vertegenwoordiger bij de Europese Unie.

De Bruijns antwoord is geen volmondig ja. Hem zijn „enkele wijzigingen in de traditionele Duitse standpunten” opgevallen. Hij noemt er drie. In de eerste plaats „heeft Berlijn er de laatste tijd alles aan gedaan de positie van de Europese Commissie bij de crisisbeheersing tot een minimum te beperken”, terwijl het in het verleden juist „stelselmatig weerstand bood tegen Franse en Britse pogingen de Europese samenwerking op een meer intergouvernementele leest te schoeien”.

In de tweede plaats heeft Duitsland „in de crisis voortdurend gekozen voor oplossingen die niet zozeer op een rationele analyse waren gebaseerd, maar vooral werden ingegeven door een mix van orthodoxe economische opvattingen, binnenlands-politieke motieven en maatschappelijke emoties.” „Rationeel zou zijn geweest de Grieken zo snel mogelijk uit de brand te helpen”, maar „hulp aan de Grieken kon op weinig sympathie van de publieke opinie rekenen, terwijl Berlijn vreesde dat gezwinde actie de druk op de Griekse regering zou verminderen om stevige bezuinigingsmaatregelen te nemen.”

Maar – en dit is de derde wijziging die De Bruijn signaleert in Duitslands Europese politiek – „de bondskanselier stond niet alleen onder druk vanuit de publieke opinie en de politiek, ook werd haar handelingsvermogen beperkt door de (vrees voor) mogelijke uitspraken van het Duitse Constitutionele Hof”. Dit „heeft de laatste jaren enkele uitspraken gedaan die de ruimte van de federale regering in de EU aan banden leggen. Kort gezegd komt het erop neer dat het Hof een rem heeft gezet op de overdracht aan bevoegdheden naar Brussel”, met het argument dat „de democratische controle en participatie op Europees niveau onvoldoende zijn gewaarborgd”.

Deze waarnemingen van iemand die tot vorig jaar Nederlands hoogste ambtenaar in het Brussel van de EU was, zijn ongetwijfeld juist, en voor zover ze kritiek bevatten, mag aangenomen worden dat hij die ook in zijn rapportage naar Den Haag onder woorden heeft gebracht. Zo ja, hebben de kabinetten-Balkenende, die sinds 2002 tot 2010 aan het bewind waren, zich die kritiek dan altijd eigen gemaakt? Wat het kabinet-Rutte betreft, is minister De Jager eerder opgevallen door een beleid dat, zo mogelijk, nog orthodoxer was dan het Duitse – tot dusver tenminste.

Interessanter is evenwel dat in De Bruijns analyse weer de tegenstelling tussen democratie c.q. rechtsstaat enerzijds en Europese integratie anderzijds opduikt. Is het in een bewindsman – in dit geval Merkel – te laken dat hij/zij rekening houdt met de openbare mening? Zijn politieke leven en de politiek die hij voert – ook zijn Europese – kunnen daarvan afhangen. Ook Helmut Kohl hield daar rekening mee toen hij de euro alleen aanvaardde „op voorwaarden die nodig waren om voor zijn publieke opinie het opgeven van de D-mark aanvaardbaar te kunnen maken” (aldus André Szász, oud-directeur van De Nederlandsche Bank, in een ander artikel in de IS).

En wat de rol van het Constitutionele Hof in Karlsruhe betreft: zijn taak is het erop toe te zien dat de regering zich aan de – door de overwinnaars van 1945 geoctrooieerde! – grondwet houdt. Moeten zijn uitspraken veroordeeld worden als zij „de ruimte van de federale regering in de EU aan banden leggen”, met andere woorden: moeten die uitspraken om politieke redenen veroordeeld worden? En moet Merkel verweten worden dat zij rekening houdt met de mogelijke uitspraken van het Hof?

Steeds meer blijkt dat de democratie, waarvan de rechtsstaat een wezenlijk element uitmaakt, een groot struikelblok is op weg naar Europese integratie. Kort gezegd: als de volken van Europa – meervoud, want een Europees volk bestaat niet en een Europese democratie daarom ook niet – geen integratie willen, dan komt die er niet. Wanneer dit dilemma nog steeds niet voldoende is erkend, dan komt dat voornamelijk door het simpele geloof dat goede zaken – in dit geval: democratie en integratie – niet met elkaar in strijd kunnen komen.

Op dit ogenblik ziet het ernaar uit dat de democratie het wint van de behoefte aan, ja noodzaak van, democratie. Een laatste teken dat in die richting wijst, is de uitslag van een peiling die Le Monde dezer dagen liet uitvoeren: 56 procent van de ondervraagden vindt dat de bevoegdheden van de nationale staat moeten worden versterkt, zelfs als dit ten koste van de bevoegdheden van de EU zou gaan. En slechts 10 procent vindt dat de volgende president de nadruk moet leggen op de Frans-Duitse samenwerking (bij de socialisten, die dit jaar misschien de volgende president zullen leveren, is dat 3 procent). Die bevindingen voorspellen niet veel goeds voor de eenheid van Europa, waarvan de Frans-Duitse samenwerking de motor wordt genoemd.