Column

De verbeelding van wat er in een hart kan woelen

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

Steve McQueen speelt de blues in het Amsterdamse Vondelpark, daarom schijnen alle 275 straatlantaarns blauw. Een eenvoudig idee, maar mijn kleine zusje zou er niet opgekomen zijn. McQueen wel. Die lokt me mee met een sliert dwaallichtjes die zich spiegelen in het natte asfalt en de donkere vijvers. Achter mijn ogen poot hij gedachten over verleiding en verloedering.

McQueen maakte zijn installatie op uitnodiging van Ann Goldstein, de directeur van het Stedelijk Museum. Dit is de opening, ze introduceert het werk met een hartelijke speech. Leuk mens.

Maar, wacht even. Was Ann Goldstein niet van het nukkige type? Zo een die haar portret liet verwijderen uit een expositie? (Zoiets zet kwaad bloed, een museumdirecteur moet beter weten.) Ze heeft een slechte pers. Interviews met haar zijn gespannen. Haar reacties zijn stuurs.

Maar hier staat een gulle vrouw. En ze staat alleen, dus ik spreek haar even aan en maak haar mijn complimenten over McQueens werk, haar initiatief. We praten over l’heure bleue, het magische blauwe uur, de oerstille ochtendschemering. Ineens voel ik een aanwezigheid langszij. De persbeambte van het Stedelijk. Voor ik het weet ben ik uit Goldsteins gezelschap verwijderd. Ze schudt me nog snel de hand en weg ben ik.

Wat is dit? Heeft zij geseind dat ze van mij gered wilde worden? Dat is mogelijk, maar dat deed ze dan onzichtbaar en binnen drie minuten. Of heeft de pr-afdeling van het Stedelijk liever niet dat ze met me praat? Als dat zo is, zal ik de enige niet zijn die fluks wordt geweerd – en zo bezorgt haar personeel haar die onverdiend stugge reputatie.

Nu ja. Het park is een kunstwerk en ik loop er rond, op uitnodiging van Ann Goldstein. Dank je wel Ann.

En: dank je wel, Inez de Jong.

Ook zij trekt me een kunstwerk binnen. Ze is de weduwe van Peter Giele – roemrucht sfeerbouwer en vuurmaker, de man van nachtclub RoXY, als dat iemand nog wat zegt. Inez de Jong woont aan de Oudezijds Achterburgwal 97 in Amsterdam, in het huis dat Giele verbouwde. Het begon als krot. Hij vormde het om tot zijn verbeelding van wat er in een hart kan woelen. Inez de Jong veranderde er niets aan. „Dit is zijn kunstwerk”, zegt ze. Kunst moet gezien worden, vindt ze, daarom benut ze het huis af en toe als galerie. Afgelopen jaar met de grote foto’s van Ruud van der Peijl. Nu hangen de ijle natuurschilderingen van Meinke Horn er. Tot en met aanstaande zondag doet Inez de Jong tussen vijf en zeven de deur open voor publiek.

Waarom Meinke Horn? Inez de Jong lacht haar kohlogenlach. „Het is mooi. En Meinke heeft al acht jaar niets tentoongesteld. Veel kunstenaars vinden dat doodeng. Ze durven het nauwelijks.” Maar wel bij Inez, achter de deur met de koperen leeuwenkop met de lange tong. Het werk van Meinke Horn wordt er tegelijk beschut en benadrukt. Door de barokke keuken vol luiken. Door de dark-arts-entresol met het gaatje in de vloer. Door de slaapkamer met het roodfluwelen courtisanebed op een podium en de deur met de kudde koperen hagedissen. De plafonds zijn blauw en roze, de muren groen als veldjes sla.

„Wat doen die ringen aan het plafond, Inez?”

„Oh, dat was een hobby van ons, daar hing wel eens iemand in.”

Net als bij McQueens blauwe licht verkeer ik hier met de kunst. Inez is er deel van. Ze versmelt met het huis, daarom is niemand een voyeur.

In museum Foam stap ik een installatie binnen, Les vacances de Monsieur Grunberg, van Arnon Grunberg en Wendela Hubrecht. Honderden vakantiefoto’s van verschillende gezinnen zijn over de muren gesprenkeld. Op de muren schreef Grunberg teksten die accentueren hoe intiem dit is. Ik wankel op de grens tussen spannend en ongemakkelijk, tussen interesse en voyeurisme. Dank je wel, Grunberg.