De intuïtieve rechter betrapt

Ook strafrechters zijn niet immuun voor stereotypen, net als gewone mensen. De blinddoek van Justitie lijkt een illusie, geen hard beroepskenmerk. Dat is voor de burger, maar vast ook voor de rechter zelf, een tegenvaller. Gisteren publiceerden drie Leidse criminologen een onderzoek waaruit blijkt dat de kans op celstraf bij de politierechter groter wordt naarmate de verdachte een minder ‘Nederlandse’ indruk maakt. Wie er Nederlands uitziet krijgt substantieel vaker een boete of een taakstraf. Wie er ‘buitenlands’ uitziet of geen Nederlands spreekt, heeft een vijf- tot zelfs twintigmaal hogere kans op celstraf.

Eén onderzoek is nog te weinig om harde conclusies te trekken over het mogelijke gebrek aan rechtsgelijkheid tussen autochtoon en allochtoon bij de politierechter. Maar de verschillen zijn wel opvallend groot. Er is bovendien gecorrigeerd voor geboorteland en individuele kenmerken als strafblad, recidive en zwaarte van het misdrijf. De voorlopige en ongemakkelijke conclusie moet luiden dat een zwarte winkeldief veel vaker cel krijgt dan een blanke, ceteris paribus.

Die constatering is zo brisant dat dit onderzoek liefst meteen en op grotere schaal moet worden herhaald. Zijn deze resultaten te dupliceren? Dit was immers de eerste keer dat grootschalig de praktijk van de politierechter werd geobserveerd. En beperkt dit verschijnsel zich tot deze zittingen, waar in hoog tempo zaken worden beoordeeld? Als dat zo is, dan komt de trend naar snelrecht in een heel ander daglicht: snel krom. Spelen er mogelijk andere, nog niet opgemerkte kenmerken van daad of verdachte een rol? Strafadvocaten wezen al op het vaker ontbreken van een vaste woonplaats bij hun buitenlandse cliënten. Boetes of taakstraffen zijn immers alleen uit te voeren met vindbare verdachten. Dan zou de strafrechter voor de ‘buitenlanders’ kiezen tussen celstraf of géén straf, wat te billijken is.

Maar er zijn ook conclusies die al wel getrokken kunnen worden. Zijn strafrechters zich voldoende bewust van de invloed van negatieve stereotypen? Bestaat daarvoor in hun opleiding en collegiale ‘intervisie’ op zitting voldoende aandacht? Corrigeert men elkaar daar op of is dit onderzoek een donderslag bij heldere hemel? Zijn er trouwens voldoende strafrechters met een niet-Nederlandse culturele achtergrond?

Ook de wetenschap heeft hier een taak. De Tilburgse jurist en bioloog Hendrik Gommer merkte in de nasleep van de zaak-Lucia de Berk al op dat rechters te weinig van psychologie en biologie weten. Hij meent dat rechtsgevoel een genetische basis heeft en introduceerde het vak ‘moraalbiologie’ voor juristen. Rechtspreken is meer dan feiten vaststellen en regels toepassen. Rechters taxeren, gebruiken hun intuïtie, leunen op hun overtuiging en putten uit hun ervaring en opvoeding. Dat vraagt ook om zelf inzicht en het vermogen daarop te corrigeren.