De Batavier rukt staal, als rag, aan flarden .

Tocht naar Chatham of Slag bij de Medway, juni 1667. Schilderij van Pieter Cornelisz van Soest, circa 1667. Rechts van midden de Royal Charles.

Het jaar 1666 was geen goed jaar geweest voor Michiel de Ruyter. De populariteit van de Zeeuwse luitenant-admiraal had een gevoelige klap opgelopen doordat een Nederlandse vloot onder zijn leiding een nederlaag had geleden tijdens de Tweedaagse Zeeslag tegen de Engelsen.

Wat erger was: in het heetst van het gevecht had De Ruyter een stuk brandend lontpluis ingeademd. Hij had daarop sterke braakneigingen gekregen en moest met hoge koorts het bed houden.

In de maanden na dit voorval bleef Nederlands bekendste zeeman in slechten doen. In januari schreef hij aan raadpensionaris Johan de Witt: „Gevoel mijn mage seer ontstelt, sulck dat ick weijnich treck tot eten hebbe, en het mij onmoogelijc is geweest uet het bedde te houden, maer mij tot leggen hebbe moeten begeven, verwachtende wat Godt sal gelieven te doen.”

Johan de Witt had De Ruyter hard nodig voor het campagneseizoen van 1667. De Republiek stond er in de Tweede Engelse Oorlog, ondanks de verloren Tweedaagse Zeeslag, goed voor. De Engelsen wilden onderhandelen over vrede. Door de Grote Brand van Londen en de pestepidemie die het land in 1666 hadden getroffen, was de Engelse admiraliteit niet in staat in 1667 een volwaardige vloot uit te rusten. De Witt had daarom het plan opgevat met de Nederlandse vloot de Theems op te varen en de Engelsen op eigen grondgebied aan te vallen.

De Ruyter zou het bevel voeren over het attaquerende smaldeel, maar de Staten-Generaal stuurden Johans broer Cornelis de Witt mee om toe zien op het verloop van de operatie. De Ruyter schreef in zijn journaal dat deze benoeming „mij aengeneam was om te hooren”. De twee mochten elkaar.

In juni zetten tachtig oorlogsschepen en twintig branders – schepen die brandend op een vijandelijk schip konden worden afgestuurd – koers naar de Engelse kust. Op 22 juni voer een deel van de vloot onder bevel van Willem van Ghent, met aan boord de Witt maar niet de zieke De Ruyter de rivier de Medway op. De Engelsen hadden getracht het vaarwater te blokkeren met afgezonken schepen en een ketting die over het oppervlak was gespannen, maar die tactiek bleek onsuccesvol.

Volgens sommige ooggetuigen werd de ketting kapot gevaren door kapitein Jan van Brakel. Anderen meldden dat de ketting eenvoudig was losgemaakt door matrozen die aan wal waren gegaan. Joost van den Vondel koos in een lofdicht voor de eerste optie, toen hij schreef: „De Batavier rukt staal, als rag, aan flarden.”

Nu de Engelse verdedigingslinie was uitgeschakeld, had de Nederlandse vloot vrij spel. Zes grote slagschepen werden vernietigd, het vlaggenschip de Royal Charles werd ingenomen. Cornelis de Witt kon aan het eind van de glorierijke dag vanuit de kajuit van dit schip aan de Staten-Generaal schrijven dat het plan van hem en zijn broer geslaagd was. De Ruyter voegde zich later die dag bij de aanvalsvloot en voerde op 23 juni het bevel over een aantal branders dat nog meer Engelse schepen tot zinken bracht.

Bij de Engelsen brak grote paniek uit. Voor het eerst sinds 1066 had een invasiemacht het eilandvolk op eigen grondgebied een nederlaag toegebracht. De bekende dagboekschrijver Samuel Pepys, die werkzaam was bij de admiraliteit, noteerde dat zijn „hart vol angst” was. Hij stuurde zijn vader en vrouw met zijn geld op 23 juni onmiddellijk van Londen naar het platteland, bang dat de Nederlanders ieder moment de hoofdstad konden bereiken. Engeland zou zijn verraden door „paapse spionnen”, aldus Pepys.

De invasiepaniek beperkte zich niet tot Londen. Zelfs in Ierland bereidde men zich voor op de komst van de Nederlanders. De Ruyter was immers in 1644 op bezoek geweest in Londonderry, herinnerde een plaatselijke ambtenaar zich. Misschien zouden de Nederlanders hier nu wel een volksplanting willen beginnen, vreesde hij.

De Engelsen haastten zich naar de onderhandelingstafel. In juli werd in Breda een voor de Republiek gunstige vrede gesloten. Cornelis de Witt, De Ruyter, en kapitein Willem van Ghent, die op 22 juni het bevel had gevoerd, werden met lof overladen toen ze in september terugkwamen in Nederland.

En, niet onbelangrijk voor De Ruyter: hij was na een jaar eindelijk van zijn koortsaanvallen af.