Rechtsongelijkheid bij de rechter

Een Hollandse vrouw en een donkere man die een tolk nodig heeft, krijgen voor dezelfde misdaad niet dezelfde straf. Rechters lijken te discrimineren, zo blijkt uit Leids onderzoek. „Een onbewuste, maar zorgelijke trend.”

Agenten in Amsterdam overmeesteren een man die verdacht wordt van het stelen van een telefoon. Foto Thomas Schlijper

Vooraf hoopten de onderzoekers dat hun hypothese niet zou kloppen, vertelt Hilde Wermink. Zij doet aan de Universiteit Leiden promotieonderzoek naar straffen en de manier waarop rechters die bepalen. „Je hoopt natuurlijk dat blijkt dat deze kenmerken géén verschil maken voor de uitspraak van de rechter. Maar het effect dat we vonden, blijkt juist groot.”

Wermink en twee collega’s lieten criminologiestudenten in het voorjaar van 2010 in tien rechtbanken in Nederland honderden politierechtszittingen observeren. Winkeldiefstallen, rijden onder invloed, bedreigingen, lichte geweldsdelicten, om dat soort zaken ging het. De studenten noteerden allerlei gegevens van die zittingen. In welke rechtbank ze dienden, maar ook leeftijd en geslacht van de verdachte. Of deze al een strafblad heeft, en of hij of zij Nederlands spreekt. En wat voor uiterlijk iemand heeft: Europees of niet-Europees. De aanname dat een persoon een ‘buitenlands uiterlijk’ heeft, is steeds gecheckt aan de hand van de context van de zitting: de vermelding van geboorteland en geschiedenis van de verdachte.

Wat bleek: verdachten met een buitenlands uiterlijk die geen Nederlands spreken, hebben meer kans om veroordeeld te worden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in plaats van een voorwaardelijke straf, taakstraf of boete dan verdachten met een Nederlands uiterlijk die ook Nederlands spreken. Twintig keer meer zelfs. En iemand met een niet-Nederlands uiterlijk die wel Nederlands spreekt, maakt vijf keer meer kans om voor een periode de gevangenis in te moeten in plaats van een andere straf te krijgen, dan iemand die er Hollands uitziet en ook de Nederlandse taal spreekt.

Andere opvallende conclusies: de kans om wél veroordeeld te worden tot een onvoorwaardelijke celstraf is voor mannen 6,5 keer zo groot als voor vrouwen. En de ene rechtbank straft strenger dan de andere: de kans dat je als verdachte in Utrecht of Den Haag een celstraf krijgt opgelegd, is groter dan als je in Amsterdam voor de rechter moet verschijnen.

De eerste natuurlijke tegenreactie op dit soort conclusies is, vertelt onderzoekster Wermink: dan zullen die mensen wel zwaardere delicten hebben gepleegd. Of vaker al een strafblad hebben. Maar dat bleek niet per se het geval. In de wetenschapstaal van haar artikel omschrijft ze dat zo: „Er is bewijs dat de straftoemetingsbeslissing zelfs ná controle op delictskenmerken en de criminele geschiedenis wordt beïnvloed door sociodemografische kenmerken, zoals geslacht en etniciteit van de dader.”

De onderzoekers concluderen dat hun bevindingen „op gespannen voet kunnen staan met het doel van consistentie in straftoemeting” in Nederland. Dat kan rechtsongelijkheid inhouden, zegt hoogleraar strafrecht Theo de Roos. Terwijl in de Grondwet staat dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Een ongewenste situatie, zegt De Roos: „Het geeft te denken. Iedere rechter is als het goed is ervan overtuigd dat hij steeds een individuele afweging maakt – als dan bij het turven van zaken blijkt dat daar toch trends in aan te wijzen zijn, is dat zorgelijk.”

Betekenen deze onderzoeksresultaten ook dat politierechters in die tien rechtbanken discrimineren? Dat is een te snelle conclusie. Ja, uit eerdere theorieën bleek wel dat rechters daders met een buitenlands uiterlijk als gevaarlijker kunnen inschatten dan autochtonen. Bijvoorbeeld omdat allochtonen vaker crimineel gedrag vertonen en vaker in de gevangenis zitten, in vergelijking met Nederlandse daders.

„Er kan sprake zijn van ‘onbewust gebruik’ van negatieve stereotypen door rechters”, schrijven de onderzoekers. Dat móét dan wel onbewust zijn, zegt hoogleraar De Roos. „Ik kan me niet voorstellen dat rechters denken: ha, daar komt weer zo’n getint type de zaal binnen, die zullen we eens even aanpakken.”

Maar ja, zegt hij, rechters zullen ook verschil zien tussen de ‘standaard’ Nederlandse crimineel, de Nederlands sprekende Marokkaan die een middenstandszaak in Amsterdam-West heeft, en de niet-Nederlands sprekende dader – bijvoorbeeld Pool, Hongaar of Somaliër – die geen woon- of verblijfplaats heeft.

Vooral bij die laatste categorie zullen praktische factoren een rol spelen. Als een verdachte geen woonadres heeft, kan de rechter moeilijk een taakstraf opleggen, want daarvoor moet de reclassering die persoon kunnen oproepen. Ook de geldboete als strafmogelijkheid valt uit: iemand zonder inkomsten kan immers geen boete betalen. Dan blijft vanzelf de vrijheidsstraf als enige alternatief over.

Een oorzaak die de onderzoekers niet noemen, maar die wel degelijk een rol speelt, zijn de cultuurverschillen tussen allochtoon en autochtoon in de rechtzaal. Ze signaleren wel de taalbarrière, die de communicatie tussen rechter en verdachte bemoeilijkt. Maar rechters kunnen ook geïrriteerd raken door de opstelling van allochtone daders, zegt rechtspsycholoog Peter van Koppen, omdat zij zich bijvoorbeeld minder nederig opstellen dan Nederlandse verdachten zouden doen.

Daarin ligt een zwakte van het onderzoek: allerlei factoren spelen mee in de strafbepaling, zegt Van Koppen. Die kunnen onmogelijk allemaal zijn meegewogen. Er bestaat een methode om de persoonlijke invloed van rechters uit te sluiten:eén inbraak is bijvoorbeeld een maand celstraf, tien inbraken dus tien maanden. „Voor simpele vergrijpen is dat een gemakkelijke manier om de invloed van rechters op de uitspraak te verminderen”, zegt Van Koppen. „Maar daar kunnen ze slecht tegen, hoor.”