Knapen komt kijken hoe hij Jemen kan helpen

Ontwikkelingshulp voor Jemen, heeft dat zin? Met al die qatverslaafden en corruptie? Staatssecretaris Knapen, op bezoek: „We moeten ook voorkomen dat het land uit elkaar valt.”

Terwijl in Den Haag wordt gesproken over bezuinigingen op zijn budget, heeft staatssecretaris van ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen (CDA) deze week een bliksembezoek aan Jemen gebracht. „Om te kijken”, zegt Knapen tegen premier Mohammed Salem Basindwa, „hoe we elkaar kunnen helpen.”

Groepen demonstranten staan her en der langs de weg als het zwaar beveiligde konvooi van Knapen met gillende sirenes door de hoofdstad Sana’a jaagt. Het zijn rechters, studenten en mensen wier huis afgelopen jaar kapot is geschoten tijdens gevechten tussen het regeringsleger en rivaliserende stammen. Ze willen onafhankelijke rechtspraak, beter studiemateriaal en geld.

Allemaal hebben ze hun hoop gevestigd op de nieuwe regering. En die rekent weer op donoren als Nederland, dat de komende jaren zo’n 20 miljoen euro per jaar heeft begroot voor Jemen. Maar niet elke Jemeniet staat te juichen. Activist Mokhtar Alsabri (33) vindt het heel aardig dat Nederland hulp geeft, dat wil hij eerst even kwijt. „Maar”, vervolgt hij, „er wordt te vaak hulp gegeven volgens jullie model. Dat werkt hier niet.”

Nadwa Al Dawsari (37), directeur van een non-gouvernementele organisatie, begrijpt wat Asabri bedoelt. „In de Mareb-regio zijn op een gegeven moment vierhonderd scholen gebouwd omdat de donoren dachten dat dat goed was.” Dat bleken er veel te veel, de Mareb had plotseling één school op de honderd scholieren. „Dat was nou ook weer niet nodig.”

Veel Jemenieten zijn ook bang dat het geld in verkeerde zakken verdwijnt. Knapen vindt dat een „te makkelijk cliché”. Diverse instanties controleren volgens hem of het geld goed wordt besteed. „Er gaat natuurlijk wel eens wat fout, maar we hebben bijvoorbeeld een kliniek ergens in het land waar maandelijks zevenduizend vrouwen worden behandeld. Die kun je toch moeilijk de verkeerde zakken noemen.”

Nederland heeft sinds 1978 een ontwikkelingsrelatie met Jemen. Die ontstond niet alleen uit medelijden, maar ook uit politieke overwegingen. Sinds de oliecrisis van 1973 waren de Nederlandse relaties met de Arabische wereld sterk bekoeld. Nederland zocht vrienden in de regio en Jemen werd op de lijst van ontvangende landen gezet.

Tientallen initiatieven zagen het licht. Er kwamen gezondheidsprogramma’s, vrouwenprojecten, onderwijsprogramma’s, restauraties van musea en moskeeën. Zelfs de dierentuin van Sana’a kreeg steun van Nederland. Of het met elkaar samenhangt, is moeilijk te zeggen, maar de export van Nederlandse producten naar Jemen steeg ook.

Ahmed Alhadrami (55), hoogleraar bedrijfskunde aan de universiteit van Sana’a, heeft zijn bedenkingen bij de effectiviteit van al die hulp, niet alleen de Nederlandse. „De impact is heel gering. Donoren komen met hun eigen agenda’s; ik heb ze allemaal zien komen, de Duitsers, de Nederlanders, de Wereldbank. Die laatste heeft er helemaal een potje van gemaakt. De projecten eindigden in chaos, er is zeker 200 miljoen verloren gegaan.”

Alhadrami steekt de hand ook in eigen boezem. „Aan de Jemenitische kant zijn er geen systemen. Bovendien worden de donoren overgeleverd aan extreme corruptie.”

Van hoog tot laag, publiek en privaat, wordt in Jemen op grote schaal gesjoemeld. Een rijbewijs koop je, en een nieuwe klant krijg je alleen als je eerst wat geld zijn kant opschuift. Tot zover lijkt Jemen op veel ontwikkelingslanden en is de discussie over het nut van ontwikkelingsgeld dezelfde als voor die andere landen. In één ding is Jemen echter uniek. Zo’n 80 procent van de Jemenieten kauwt zich elke dag wezenloos aan de qat. Na lunchtijd ligt het land grotendeels lam. Qat slurpt water, geld en arbeidsproductiviteit.

Als de delegatie van Knapen na de lunch weer door de stad spoedt naar de volgende afspraak, is het overal te zien. Mannen hangen in kruiwagens of op stoepen en zwaaien naar de geblindeerde ramen van het konvooi. Hun wang is dik en hun lach is groen, de pulp van de fijngekauwde qatblaadjes bedekt hun tanden. Verdient zo’n land wel hulp?

Hoogleraar Alhadrami: „Daar heb je een heet hangijzer te pakken. De regering moet daar drastische verandering brengen. Gebeurt dat niet, dan hebben de donoren twee keuzes. Eén: stoppen met hulp en je terugtrekken uit Jemen. Twee: eerst samen heel goed gaan nadenken hoe ze het geld gaan besteden.”

Het qatprobleem lijkt bij de donoren niet al te hoog op de agenda te staan. Ze gaan doorgaans omzichtig met het onderwerp om. Vaak gehoord: het is lokale cultuur, samen kauwen is ook een goede vorm van dialoog, de arbeidsproductiviteit wordt niet aangetast, want de werkloosheid is toch al hoog. Veel buitenlandse medewerkers van ngo’s kauwen zelf ook graag.

Nederland maakt van de qat geen halszaak. Knapen: „Als we alleen landen zouden steunen waar mensen elke dag vroeg opstaan om hard te gaan werken om hun kinderen te eten geven, blijven er niet veel landen over.” Zorgen dat Jemen als staat niet mislukt, heeft prioriteit. „We zitten hier ook om te voorkomen dat het land uit elkaar valt. Als dat gebeurt, is het veel duurder om te repareren.”