Is mijn gesprekspartner wel prominent genoeg?

In de Amsterdamse Stadsschouwburg ontrolde zich gisteravond het Boekenbal. De jonge schrijver Philip Huff doet verslag. Hij ziet een feest als vele feesten. Maar dan met schrijvers.

De vraag kon niet uitblijven. Ik hoor iemand zeggen: „Wat vind jij er eigenlijk van?”

Het is half drie en we staan in de Koninklijke foyer van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Nico Dijkshoorn, schrijver van het Boekenweekessay, loopt over de gang. Hij is alleen. En zo weer verdwenen.

„Ik weet het niet,” zegt mijn metgezel. „Ik heb de hele tijd het gevoel dat ik niet op de plek ben waar het gebeurt.”

„Nee, nee,” zegt een derde, een jongen in tweedjasje en spijkerbroek. „Hier is het juist goed, man.” En hij volgt met zijn blik een blonde vrouw in strakke jurk met tijgerprint. Het is Marion Pauw, de thrillerschrijfster. Net als vorig jaar is zij de knapste schrijfster van de avond. „Heb je háár gezien?”

Mijn metgezel schudt het hoofd.

Vijf jaar zat ik bij een studentenvereniging. Ik maakte daar menig feest mee – en genoeg andere ellende. Zo veel verschillen met het jaarlijkse CPNB-festijn zijn er niet.

Neem nu bijvoorbeeld de uitgeverijen. Dat zijn net jaarclubs, of disputen. Om negen uur begint het voorprogramma in de zaal van de Stadsschouwburg. Iedereen zit met zijn eigen uitgeefhuis, verdeeld over de rode rijen. De vraag is: wie is er niet? En dus vooral: wie is er wel? Wie zijn de hoogwaardigheidsbekleders van de huizen? Dan gaat het licht uit.

Net als bij een corpsvergadering (of een vergadering van de voetbalclub), wordt er bij het officiële gedeelte vooral gegaapt – in dit geval: over alle onheilstijdingen betreffende boekenland. Stilte voorafgegaan door een in toonsoort stijgende opsomming betekent: klappen. Pas als de primi inter pares ons mogen toespreken, wordt er gelachen. Gerrit Komrij steelt de show. Natuurlijk.

Dan begint het feest. Er moet wat drank aan te pas komen om de kruisbestuiving op gang te helpen. Mai Spijkers, directeur van Prometheus (zijn Connie Palmen en Franca Treur zijn er ook), paait een jonge auteur: „Ja, jammer dat we jou hebben laten lopen. Erg zonde. Je bent goed. En succesvol.”

Flirten, dus. Met mensen. En drank.

Aan de bar, bij het bestellen, wordt veel naar elkaar gekeken. Oogcontact gemaakt. Gelachen.

En een klein beetje kinnesinne gedeeld: „Marion Pauw had eerst geen eigen kaartje,” zegt een redacteur van een uitgeverij. „Ze was bij haar andere uitgeverij een plus één bij. Daar voelde ze zich te goed voor. Nu is ze via ons naar binnen gekomen. Met haar eigen plus één.”

Even de plek op de rots aangeven.

Allemaal bekende recepten.

Dan zijn er ook nog die wet van de continue beweging – je bent nooit waar je moet zijn – en de wet van het schoudergesprek: heel de avond kijken mensen over elkaars schouder, op zoek naar een gesprekspartner die prominenter is. Het vindt allemaal plaats op een plek die voor buitenstaanders ontoegankelijk is.

Als schrijvers samenkomen, zal het wel prachtig zijn, wat daar achter gesloten deuren plaatsvindt. Als het studenten zijn, is het snel verwerpelijk.

Maar wat geldt voor een feest op een studentenverenging, geldt ook voor het Boekenbal. Het beste breng je de avond door met bekenden – en een enkele onbekende. Dus genieten Ivo Victoria en Jan van Mersbergen samen met hun uitgeefhuizen van hun Librisnominatie, en het feit dat zij nu horen tot die nieuwe generatie auteurs, die voor de rest van de vereniging zichtbaar is geworden.

Af en toe tuimelt één van hen buiten de groep – dit geldt voor elke groep – en spreekt dan iemand anders aan. Er worden veel handen geschud en namen uitgewisseld. Veel eerste, verkennende zinnen gesproken.

Bijvoorbeeld: „En, wat vind jij er eigenlijk van?”

Ik hoor het mezelf ook zeggen, zo rond drieën, tegen een NRC-journalist.

„Ik vind het wel goed, eigenlijk,” zegt hij. „Jij dan?”

Philip Huff

Philip Huff (1984) publiceerde begin dit jaar zijn tweede roman Niemand in de stad, waarin hij het Amsterdams Studenten Corps van binnenuit beschrijft.