Hulp als spiegel

Vraag een willekeurige Nederlander of arme kinderen geholpen moeten worden, en je krijgt een volmondig: ja, natuurlijk! Vraag je of arme landen geholpen moeten worden, dan is het antwoord al minder eenduidig. Ja mits, nee tenzij, hangt er vanaf waardoor die armoede is ontstaan. Vraag of arme overheden geholpen moeten worden, en het antwoord zal

Vraag een willekeurige Nederlander of arme kinderen geholpen moeten worden, en je krijgt een volmondig: ja, natuurlijk! Vraag je of arme landen geholpen moeten worden, dan is het antwoord al minder eenduidig. Ja mits, nee tenzij, hangt er vanaf waardoor die armoede is ontstaan. Vraag of arme overheden geholpen moeten worden, en het antwoord zal meestal negatief zijn. Geld naar een ministerie van Onderwijs in een land dat dure wapens koopt en waarschijnlijk zwaar corrupt is? Laten ze eerst hun prioriteiten op orde krijgen.

Als ik het hulpgeld verdeelde, koos ik voor opleiding en onderzoek

Draagvlak voor het abstracte doel van hulp is er wel. Iedereen, ook de meest rechtse vleugel, wil een wereld zonder honger en armoede. De een uit al of niet religieus geïnspireerd mededogen, de ander uit puur eigenbelang. Immers, armoede elders betekent minder exportmogelijkheden en meer risico op gewapend conflict. Ook is iedereen het erover eens dat de wereld veranderd is. Wie zich even in de materie verdiept, weet dat ontwikkelingshulp een fractie van de totale geldstroom naar de arme landen uitmaakt. Overheidshulp, al of niet via niet-gouvernementele kanalen, kent een lage effectiviteit en bereikt de allerarmste mensen zelden.

Uit veertig jaar ontwikkeling weten we dit: armoede vermindert pas systematisch als de economie gestaag groeit, als die groei eerlijk verdeeld wordt en de rijkdom niet in de handen van een kleine groep blijft, en als er geïnvesteerd wordt in gezondheid en onderwijs, met name voor vrouwen. Heel weinig hiervan kan direct door hulpgevers worden beïnvloed. De val van de Berlijnse Muur heeft meer gedaan voor arme landen, dankzij de liberalisering die daarop volgende, dan decennia van ontwikkelingshulp. Zwakke instituties kunnen roet in het eten gooien, maar buitenlandse hulp bij de opbouw ervan wordt vaak als koloniale bemoeienis ervaren. Mondialisering kent ook verliezers die een vangnet nodig hebben, maar dat moet deel vormen van een nationale politiek van inkomensspreiding en belastingen, niet van buitenlandse hulp. Het getuigt van misplaatste arrogantie om te denken dat hulp de economische groei kan aanzwengelen.

Moet hulp toch nog gegeven worden? Met die kwestie is ontwikkelingshulp is uitgegroeid tot lakmoesproef van het regeerakkoord. Je bent voor of tegen. De armen mogen we nooit ijskoud aan hun lot overlaten, zegt een deel van het CDA. Hulp moet volledig gesaneerd worden, zegt de VVD, alle hulp leidt tot misbruik. De gedoogpartner, niet gehinderd door internationale verdragen, wil het storten in de „bodemloze put” onmiddellijk stoppen. De oppositie helpt niet mee, met retorische teksten als „De crisis te lijf door de armsten af te knijpen?” Helaas, het debat tussen voor- en tegenstanders kenmerkt zich door afgezaagde argumenten.

In dit verbale geweld komt niemand nog toe aan de veel interessantere vraag naar een radicale vernieuwing van ontwikkelingshulp. Dat deze vraag in het kader van de bezuinigingen onvermijdelijk wordt, is een blessing in disguise. Anders gezegd, zelfs als we niet moeten bezuinigen, is het dringend tijd voor hervorming. Daarover heb ik nog nauwelijks een creatieve gedachte gehoord. Dus het zal wel weer uitdraaien op het bekende compromis: overal een stukje extra bezuinigen, en minder ambtenaren. Een gemiste kans.

Een gedachtenexperiment. Stel dat er nooit eerder hulp was gegeven (en er dus geen lopende verplichtingen waren), en stel dat je maar één miljard euro had, wat zou je dan doen? Je zou alles in noodhulp kunnen steken. Maar dan stuit je op de bekende bezwaren: noodhulp wordt als machtsmiddel gebruikt, ontwricht lokale markten en instellingen. Medische zorg dan maar? Maar daarvoor geldt dat er weinig beklijft.

Liever bestem ik het grootste deel van mijn geld voor opleiding en onderzoek. Overal ter wereld is innovatie en talentontwikkeling de sleutel gebleken tot economische groei. Dus zou ik beginnen met een leningenstelsel voor de opleiding van talentvolle mensen uit ontwikkelingslanden in Nederland, met de verplichting een aantal jaren hier of in eigen land te werken. De Verenigde Staten deden dat gedurende enkele decennia vanaf de jaren zestig, en hebben daarmee vele leiders voortgebracht, zoals de toekomstige Chinese premier. Ik zou geld steken in onderzoek, hier en daar, toegepast en fundamenteel, op allerlei relevante terreinen: gezondheid van mens en dier, energie en transport, voeding, nieuwe materialen, informatietechnologie. Daarmee sla je twee vliegen in een klap: innovaties die de situatie elders grondig kunnen verbeteren én een Nederlands exportproduct kunnen zijn. Kijk, dan wordt een vaccin tegen malaria of Q-koorts, of een diervriendelijke melkmachine, plotseling een hoeksteen van ons eigen economische beleid.

Zo zal het niet gaan, want we zijn gebonden aan talloze multilaterale en bilaterale verplichtingen. Hulp is een onbarmhartige spiegel die terugkaatst wie we zijn. Het is een illusie van links dat eigen belangen geen rol spelen. Net als het een illusie van rechts is dat die belangen de enige drijfveer moeten zijn. De spiegel van ontwikkelingshulp toont ons een klein land dat verschil kan maken als het een verstandige balans vindt tussen eigenbelang en mededogen.