Het evangelie van geluk gaat de wereld over

Wat doet geld met geluk? Is dat te meten? Een zoektocht naar geluk door de eeuwen heen.

rutger bregman

Historicus

‘De periodes van geluk zijn de lege bladzijden in de geschiedenis’, schreef de filosoof Hegel bijna twee eeuwen geleden. Wat hij er niet bij vermeldde, is dat de zoektocht naar geluk toen nog maar net was begonnen. Vroeger was geluk nog heel ongewoon. Voor de oude Grieken was het een kwestie van geluk. In een wereld die werd geregeerd door de grillen van de goden was geluk iets wat je overkwam. Tot in de negentiende eeuw gaven veel westerlingen de voorkeur aan een wat melancholische houding ten opzichte van het leven. Zij voelden zich genoodzaakt om zich te verontschuldigen voor hun gelukkige momenten. Die zouden niet bij een vrome levenshouding passen.

De historicus Darrin McMahon betoogt in The Pursuit of Happiness: A History from the Greeks to the Present (2006) dat de moderne gelukscultuur een product van de Verlichting is. Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van deze gelukscultuur was de ‘verwereldlijking’ van ons denken. Zelfs christenen gingen geluk als een opdracht van God zien. Het ging niet langer om alleen het geluk in het hiernamaals – de beloning voor een enkele vrome geluksvogel – maar ook om geluk hier op aarde.

Misschien dat de verbeterde gebitsverzorging een cruciale rol heeft gespeeld: mensen schaamden zich steeds minder voor hun ontblote tanden. Volgens sommige neurologen worden we al gelukkig van de fysieke activiteit van lachen zelf. Lachen is dan niet alleen een gevolg, maar ook een oorzaak van geluk. De merkwaardige grijns van Mona Lisa moeten we misschien wel verklaren aan de hand van haar gêne voor haar verrotte tanden.

In de negentiende eeuw werd ook arbeid een bron van geluk. Met hard werken kon geld en vrije tijd worden verdiend. Armoede zou een straf voor luiheid zijn. Geluk werd een keuze in plaats van iets wat je overkwam. Na de Eerste Wereldoorlog verschenen er zelfhulpboeken waarin werd uitgelegd hoe je gelukkig kon worden. In 1912 was Happy Birthday al gecomponeerd, in 1963 werd de ‘smiley’ uitgevonden en in 1977 volgde het eerste Happy Meal. Poseren voor een foto deed je voortaan met een brede glimlach. De kunst van het lachen zonder geamuseerd te zijn, is voor ons de normaalste zaak van de wereld, maar is in feite een zeer recente uitvinding (bekijk eens een fotoalbum van je overgrootouders). Om de glimlach een handje te helpen, deed in 1950 de lachband zijn intrede. Deze doet nog altijd zijn best om slechte comedy’s grappig te maken.

In 1990 opende de eerste McDonald’s van Moskou zijn deuren, maar niet voordat de medewerkers een spoedcursus glimlachen hadden gekregen. Het evangelie van geluk gaat inmiddels de hele wereld over. Blijheid is zelfs doorgedrongen tot de online etiquette. Een treffend voorbeeld daarvan is Facebook, het sociale netwerk dat de waardering van bijna een miljard mensen door de ‘vind ik leuk’-knop kanaliseert. ‘Vind ik stom’ is geen optie.

Dat we ‘gelukkig zijn’ belangrijker zijn gaan vinden, is onmiskenbaar. Maar een cultuur die verdriet en somberheid naar de randen van de samenleving verdringt, veroorzaakt ook krampen van frustratie. Grote verwachtingen vragen om grote teleurstellingen. De socioloog Richard Easterlin ontdekte in 1974 dat rijke landen niet significant gelukkiger zijn dan arme landen. Waar het volgens hem om gaat, is relatieve rijkdom: rijkere mensen zijn namelijk wel gelukkiger dan hun arme landgenoten. Maar landen die rijker worden, worden niet gelukkiger. Het inkomen per hoofd in China verdubbelde in de afgelopen twintig jaar, maar de Chinezen zijn er nauwelijks gelukkiger op geworden. Materiële welvaart is onderhevig aan de wet van verminderende meeropbrengst: geld brengt steeds minder geluk op.

De politicoloog Robert Lane laat in The Loss of Happiness in Market Democracies (2001) zien dat in 1960 ongeveer 60 procent van de Amerikanen zichzelf ‘gelukkig’ noemde – een percentage dat sindsdien niet is veranderd. Maar het aantal Amerikanen dat zichzelf ‘zeer gelukkig’ noemt, is afgenomen van 7,5 naar 6 procent. Tegelijkertijd is het aantal depressieve mensen, gecorrigeerd naar de bevolkingsgroei, in alle rijke landen vertienvoudigd. Zo’n cijfer is geen harde wetenschap, maar de grote stijging van het aantal depressies kan niet alleen aan verbeterde (of te snelle) diagnoses liggen.

Inmiddels zijn er weer studies verschenen die stellen dat de ‘Easterlin paradox’ (‘geld maakt niet gelukkig’) helemaal niet bestaat. Zo beweert Matt Ridley in zijn boek The Rational Optimist (2011) dat Easterlins statistiek niet deugt. In een recente publicatie, die het grootste geluksonderzoek tot nu toe bevat, beschuldigt Easterlin zijn tegenstanders van hetzelfde.

Hoe het ook zij: er bestaat geen duidelijke relatie tussen geld en geluk. De psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft een groot deel van zijn carrière besteed aan de zoektocht naar een betrouwbare schaal voor ‘subjectief welzijn’. Hij kwam erachter dat het geluk dat mensen zichzelf toeschrijven geen zuivere indicator van hun geluk is. Eén van de vragen die hij zijn studenten stelde, was of ze naar buiten toe geluk veinzen, terwijl ze in werkelijkheid ongelukkig zijn. Kahneman moest die vraag na een tijdje schrappen – een groot deel van zijn proefpersonen barstte in huilen uit. Na twintig jaar gaf Kahneman zijn zoektocht naar een zuivere geluksindicator op. Psycholoog Edward Diener ontdekte nog dat gehandicapten en ouderen gelukkiger zijn dan gemiddeld.

Eén ding is zeker: onze spullen maken ons niet zo gelukkig als we zouden willen. Maar het is niet moeilijk om in te zien dat de bevrediging van onze basisbehoeftes een noodzakelijke voorwaarde voor een gelukkig leven is. Het gezonde verstand zal het uiteindelijk wel bij het rechte eind hebben: geld maakt echt gelukkig, maar veel geld niet echt. Dat verklaart waarom landen met een uitgebreid sociaal vangnet, zoals Nederland, Denemarken en Zweden, de gelukkigste landen ter wereld zijn.

De vrijheid om te kiezen is cruciaal: zelf bepalen waar je wilt wonen, met wie je wilt trouwen en hoe je met je seksuele geaardheid omgaat. Een drijvende kracht achter de groei van deze keuzevrijheid is de individualisering van de samenleving. Maar individualisering is een vat vol tegenstrijdigheden. Uit onderzoek van de psycholoog Thomas Lewis is gebleken dat mensen bovenal gelukkig worden van contact met andere mensen. En dat terwijl het aantal mensen dat zichzelf ‘eenzaam’ noemt in de afgelopen decennia sterk is gestegen.

De overgrote meerderheid van de Nederlanders zegt ‘gelukkig’ tot ‘zeer gelukkig’ te zijn. Maar als het over de samenleving als geheel gaat dan zijn we behoorlijk pessimistisch. Een groter gevoel voor eigenwaarde gaat samen met hogere eisen aan de medemens. Individueel optimisme, collectief pessimisme: dat lijkt de prijs van vooruitgang te zijn. In een samenleving waarin geluk een plicht is, reageren we ons eigen falen af met gemopper op andermans gebreken. In de woorden van de schrijver Gregg Easterbrook: „De fixatie op eigenwaarde dwingt ons, uiteindelijk, om op zoek te gaan naar dingen om boos over te zijn. Mensen die op zoek gaan naar iets om boos over te zijn, weten altijd wel iets te vinden.”

McMahon merkt op dat er een verschil is tussen het bestrijden van zinloos lijden (waar we een heel eind in zijn gekomen) en het willen uitbannen van alledaagse somberheid. Vaak kunnen we meer genieten van de verwachting dan van de daadwerkelijke ervaring. Geluk is geen toestand, maar een richting.

Rutger Bregman is historicus. Onlangs verscheen van hem het boek Met de kennis van toen. Actuele problemen in het licht van de geschiedenis.