David Cronenberg, voer voor psychologen

David Cronenberg films waren altijd al freudiaans. Geen wonder dus dat hij in A Dangerous Method terugkeerde naar de bron.

Wriemelende parasieten die eruitzien als piemels. Spontane mutaties en transformaties. Lichaamsopeningen die dienst doen als substituut-vagina’s.

Wie het werk van de Canadese horrorfilmer David Cronenberg (1943) op de divan legt heeft aan levenslange psychoanalyse nog niet genoeg om alle dubbele bodems, onbedoelde symboliek en vaak behoorlijk verontrustende inzichten in de menselijke psyche te duiden. Hij mag dan nu met A Dangerous Method een keurige kostuumfilm gemaakt hebben over de richtingenstrijd tussen Freud en Jung, maar dat is beslist geen uitzondering en eerder de kroon op zijn oeuvre.

De Canadese filmmaker maakte in de jaren zeventig en tachtig furore met intelligente (en tamelijk heftige) horrorfilms als Shivers (1975), de exploderende telepathische hoofden in psychothriller Scanners (1981), of het technosurrealisme van Videodrome (1983) waarin televisiegolven hersentumoren veroorzaken. Hij is een meester van de ‘shock & gore’, maar ook een filosoof en een moralist.

Dat is ongetwijfeld de reden dat zijn werk, na eerst omarmd te zijn door cultliefhebbers, na zijn verfilming van J.G. Ballards cultroman Crash (1996) over mensen die seksueel opgewonden raken van verkeersongelukken, ook door de mainstream werd binnengehaald. Een schandaaltje was wel nodig: Crash werd na zijn première op het Filmfestival van Cannes in Engeland inzet van een strijd die bijna een jaar duurde om de film verboden te krijgen.

Daarna zou je kunnen zeggen dat de ‘Baron of Blood’ milder werd. Met eXistenZ (1999) maakte hij een soort Cronenberg-voor-beginners, een film als een game die zich afspeelde in de wereld van gaming en waarin hij het allemaal nog eens uitlegde. Zijn fascinatie voor die wonderlijke verhouding tussen lichaam en geest. De angst voor de wetenschap (favoriet onderwerp in veel sciencefiction en horror). De troebelen van het onbewuste die als je even niet oplet uit de kieren en spleten in onze waarneming naar boven komen.

Body horror. Zo worden de films die hij maakt wel genoemd. Omdat het lichaam geen moment veilig is. Het explodeert en pulseert, is bloederig en plastisch, en vooral onberekenbaar. Het kan zomaar in dat van een gigantische vlieg veranderen, zoals in zijn remake van The Fly (1986), als een op hol geslagen wetenschapper in zijn eigen proefkonijn verandert. Of het kent de grens tussen zichzelf en de ander niet meer, zoals in Dead Ringers (1988), waarin de symbiotische verhouding van een tweeling schizofrene proporties krijgt.

Wat is echt en wat is waanzin? Juist omdat er in de films van David Cronenberg geen scheiding bestaat tussen lichaam en geest, is er ook nauwelijks verschil tussen waan en werkelijkheid. Als hij het, nadat het script jarenlang door Hollywood heeft gezworven, op zich neemt om Christopher Hamptons toneelstuk The Talking Cure (2002) te verfilmen, dan is het ook vooral daarom. Die eeuwigdurende strijd tussen Freud en Jung. De een die, zoals hij het in een interview met The Washington Post zei, alles beargumenteerde vanuit het lichaam, en de ander die het lichaam ontvluchtte. „Waardoor Freud, voor zover dat met de menselijke geest mogelijk is, zoveel mogelijk een wetenschapper en een arts probeerde te blijven, en gegrond bleef in de menselijke realiteit. En Jung een heel ander terrein betrad met zijn ideeën over archetypen en het collectieve onbewuste.”

Cronenberg mag zich door zijn trouw aan het fysieke dan misschien meer met Freud dan met Jung verwant voelen, voor zijn publiek heeft hij een heel nieuw gewelddadig en in zijn wreedheid soms ronduit poëtisch collectief beeldenbewustzijn gecreëerd. De manier waarop lichaam en geest in zijn films een strijd op leven en dood aangaan, heeft de hedendaagse cinema diep beïnvloed.