Bij Fukushima groeit straks biobrandstof

Japan zoekt een nieuwe toekomst voor het boerenland rond Fukushima. Een Nederlands bedrijf plant er gewassen voor biobrandstof.

Het gebied waar nu de test start met biobrandstoffen, was tot de ramp met de kerncentrale een jaar geleden, een rijke landbouwstreek. Foto Bloomberg

Directeur William Nolten van Waterland International was niet meteen enthousiast, toen de Japanse regering hem in oktober vorig jaar benaderde voor een project in Fukushima. Of het Nederlandse landbouwbedrijf kon helpen bij het planten van biobrandstofgewassen in het gebied dat bij de kernramp van een jaar geleden radioactief besmet was geraakt?

„Ik dacht eerst: als de grond daar radioactief is, krijgen we dan geen radioactieve olie? En ik was bang om mijn mensen er naartoe te sturen”, vertelt Nolten in de Indonesische stad Semarang, waar zijn kantoor gevestigd is. Maar de wetenschappelijke data stelden hem gerust.

De hoeveelheid straling in het gebied is niet schadelijk voor mensen. De grond bevat weliswaar meer radioactiviteit dan toegestaan voor het telen van bepaalde voedingsgewassen, maar te weinig voor biobrandstofgewassen die niet genuttigd worden. Daarop stuurde hij een Nederlandse promovendus om het terrein te verkennen, gewapend met een geigerteller. „Die vond het geen probleem. Zelf ben ik niet gaan kijken. Ik dacht: ik kijk wel uit.”

Zo begon het project dat het uitgestrekte landbouwgebied rond de verwoeste kerncentrale Fukushima Daiichi mogelijk nieuw leven kan inblazen. Samen met een Japanse partner heeft Waterland inmiddels een overeenkomst gesloten met een boerenfederatie in de plaats Soma. Ze gaan op 2.000 tot 3.000 hectare besmette landbouwgrond, een oppervlak ter grootte van de gemeente Leiden, biobrandstofgewassen planten Het gaat vooral om de Camelina-plant, een soort kruisbloem.

Het project kan van cruciaal belang zijn voor de boeren in Fukushima, vertelt de Japanse operationeel directeur Toshihide Nakajima. Bij de kernramp is radioactief cesium vrijgekomen dat tot 250 kilometer van de centrale is neergedwarreld. De Japanse autoriteiten hebben boeren in dat gebied verboden om rijst, paddenstoelen, spinazie en andere gevoelige gewassen te oogsten.

Maar andere landbouwproducten uit Fukushima die wel veilig zijn, verkopen ook niet. De consumenten willen ze niet, zegt Nakajima. „Als je een gezin hebt, dan neem je geen risico.” Cesium-137 heeft een halfwaardetijd van 30 jaar. „In de komende dertig jaar kun je in dat gebied gewoon geen voedsel verbouwen.” Alleen al in de provincie Fukushima staat daarmee een landbouwindustrie van 2,3 miljard euro op het spel.

Vandaar dat één boerenfederatie meteen al wil overstappen op biobrandstofgewassen. Waterland is ook met anderen in gesprek. Het plan is Camelina en een tabaksvariant met olierijke zaden te planten.

Uit de zaden kunnen ze olie winnen, die als basis dient voor de productie van biodiesel. Waterland gebruikt nieuwe technologie voor de productie van biodiesel met behulp van enzymen, wat efficiënter is dan het conventionele productieproces. Daardoor hoeft de productie van een liter biodiesel volgens het bedrijf nog maar 10 dollarcent (6,9 eurocent) te kosten. Dat is nu nog 40 cent (27,9 eurocent) .

Ook kunnen de energiegewassen worden gebruikt om stroom op te wekken, die Japan hard nodig heeft nu het verschillende kerncentrales heeft gesloten. En Waterland is in gesprek met Japan Airlines over de productie van biokerosine.

Waterland en de Japanse partner investeren in eerste instantie zo’n 2 miljoen dollar (1,4 miljoen euro)in het gebied rond Soma. Het oppervlak van 2.000 tot 3.000 hectare kan 8.000 tot 12.000 ton biodiesel per jaar opleveren, zegt Nakajima. Met de Japanse dieselprijs van 1,50 dollar (1,05 euro) per liter, heeft dat een waarde van minstens 13,2 miljoen dollar. Waterland onderhandelt nog met de boeren hoe de winst zal worden verdeeld; meestal krijgt het bedrijf samen met zijn partner 30 tot 40 procent.

De boeren verdienen daarmee minder dan voor de ramp, zegt Nakajima. Maar het is beter dan niets. Een Japanse boer kan met Camelina tot 70 procent van zijn oude salaris verdienen, schat hij. Er wordt nu gepraat over mogelijke subsidie. Maar veel Japanse boeren hebben er volgens hem sowieso een baan bij. Gemiddeld hebben ze maar anderhalve hectare grond en verdienen ze zelden meer dan 12.000 dollar per jaar.

Nolten en Nakajima gaan er vanuit dat de overeenkomst met de boeren in Soma nog maar een begin is. In totaal ligt er 800.000 hectare besmette grond, een gebied groter dan Noord- en Zuid-Holland bij elkaar. Vruchtbaar land, dat door de kernramp onbruikbaar is geworden voor voedselproductie.

Bovendien heeft Nakajima voorzichtige hoop dat de Camelina kan helpen de radioactieve cesium op te ruimen. Planten kunnen cesium opnemen als voedingsstof, net zoals ze gewoonlijk kalium uit mest opnemen. De radioactiviteit hoopt zich dan op in de plant, en kan gemakkelijker worden opgeruimd. In Tsjernobyl zijn zo met succes zonnebloemen ingezet.

In Fukushima zijn tests met zonnebloemen en koolzaad mislukt, zegt Nakajima. Doordat de radioactieve cesium meer aan het oppervlak zit dan in Tsjernobyl, waardoor de wortels het niet opnemen. Bovendien zit er meer kalium in de grond, dat met het cesium concurreert. Er is een kans dat Camelina het beter doet, denkt hij, omdat de plant sneller groeit en de grond meer uitput.

Voor het einde van het jaar, als de eerste test is afgerond, moet duidelijk zijn of Camelina zo kan helpen de grond rond Fukushima schoon te maken. De Japanse regering, die miljarden beschikbaar heeft om de cesium in de grond op te ruimen, kijkt hoopvol mee. Nakajima: „Als het ook maar een klein beetje werkt, kan dit enorm groot worden.”